De formule van een lineaire functie, ook wel lijn genoemd, heeft de algemene vorm:
y=ax+b
Hierin is:
- y: De afhankelijke variabele. De waarde van y hangt af van de waarde die je voor x kiest.
- x: De onafhankelijke variabele. Je kiest zelf een waarde voor x.
- a: De richtingscoëfficiënt (RC). Dit getal vertelt je hoe steil de lijn is en of de lijn stijgt (a positief) of daalt (a negatief). Het geeft aan hoeveel y verandert als x met 1 toeneemt. Je berekent a met de formule:
a=verandering in xverandering in y=x2−x1y2−y1
- b: Het startgetal of de constante term. Dit getal geeft aan waar de lijn de verticale as (de y-as) snijdt. Het snijpunt met de y-as heeft altijd de coördinaten (0,b).
Hieronder lees je hoe je de formule van een lineaire functie kunt opstellen in verschillende situaties en hoe je het snijpunt van twee van deze functies berekent.
1. De richtingscoëfficiënt (a) berekenen uit twee punten
Als je twee punten van een lijn weet, bijvoorbeeld P1(x1,y1) en P2(x2,y2), kun je de richtingscoëfficiënt (a) berekenen met de formule:
a=x2−x1y2−y1
Voorbeeld: Een lijn gaat door de punten (2,5) en (5,14).
- x1=2,y1=5
- x2=5,y2=14
- a=5−214−5=39=3.
De richtingscoëfficiënt is 3.
2. De formule van een lijn opstellen als je twee punten weet
- Bereken de richtingscoëfficiënt (a) met de formule: a=x2−x1y2−y1.
- Vul a en één van de punten in de algemene formule in (y=ax+b) om b te vinden.
- Kies één van de twee punten (bijvoorbeeld (x1,y1)) en vul de x1, y1 en de berekende a in de formule y=ax+b.
- Los de vergelijking op voor b.
- Schrijf de volledige formule op met de gevonden a en b.
Voorbeeld: Een lijn gaat door de punten (2,5) en (5,14).
- We berekenden al a=3.
- Gebruik punt (2,5) en a=3 in y=ax+b:
5=3×2+b
5=6+b
b=5−6=−1.
- De formule is y=3x−1.
3. De formule van een lijn opstellen als je de richtingscoëfficiënt (a) en één punt weet
- Vul de gegeven a en het punt in de algemene formule in (y=ax+b) om b te vinden.
- Voorbeeld: Stel je weet a=4 en de lijn gaat door punt (3,10).
- Vul in y=ax+b: 10=4×3+b.
- 10=12+b.
- b=10−12=−2.
- Schrijf de volledige formule op met de gegeven a en de gevonden b.
- De formule is y=4x−2.
4. Speciale gevallen van lineaire formules
a. Horizontale lijnen
- Een horizontale lijn heeft altijd een richtingscoëfficiënt van 0, omdat de lijn niet stijgt of daalt.
- De formule is dan van de vorm y=b.
- Voorbeeld: De lijn y=5 is een horizontale lijn die door alle punten gaat waar de y-coördinaat 5 is.
b. Verticale lijnen
- Een verticale lijn heeft geen richtingscoëfficiënt (deze is ongedefinieerd, omdat de verandering in x nul is).
- De formule is van de vorm x=c (waarbij c een constante is).
- Voorbeeld: De lijn x=3 is een verticale lijn die door alle punten gaat waar de x-coördinaat 3 is.
c. Proportionele verbanden
- Een proportioneel verband is een speciaal type lineair verband waarbij het startgetal b=0.
- De formule is dan van de vorm y=ax.
- Uitleg: De grafiek van een proportioneel verband gaat altijd door de oorsprong (0,0).
5. Het snijpunt van twee lineaire functies berekenen
Om het snijpunt van twee lineaire functies te berekenen, stel je de formules van de twee lijnen aan elkaar gelijk. Op het snijpunt zijn de y-waarden (en dus ook de x-waarden) van beide functies gelijk.
Stappenplan:
- Stel de formules aan elkaar gelijk.
- Als je twee formules hebt, bijvoorbeeld y=a1x+b1 en y=a2x+b2, dan stel je ze aan elkaar gelijk: a1x+b1=a2x+b2.
- Breng alle x-termen naar één kant van het gelijkteken.
- Gebruik de balansmethode: wat je aan de ene kant van de vergelijking doet, moet je ook aan de andere kant doen. Als je een term verplaatst, verandert het teken.
- Breng alle losse getallen naar de andere kant van het gelijkteken.
- Ook hier gebruik je de balansmethode.
- Los de vergelijking op voor x.
- Deel beide kanten door het getal dat voor de x staat.
- Vul de gevonden x-waarde in één van de oorspronkelijke formules in om de y-coördinaat te vinden.
- Het maakt niet uit welke formule je kiest, de y-waarde moet hetzelfde zijn.
- Noteer het snijpunt als een coördinaat (x,y).
Voorbeeld: Bereken het snijpunt van Lijn 1: y=2x+3 en Lijn 2: y=x+7.
- Formules gelijkstellen:
2x+3=x+7
- x-termen naar één kant: Trek x af aan beide kanten.
2x−x+3=x−x+7
x+3=7
- Losse getallen naar de andere kant: Trek 3 af aan beide kanten.
x+3−3=7−3
x=4
- x berekenen: De x-coördinaat is 4.
- y berekenen: Vul x=4 in Lijn 2 (y=x+7).
y=4+7
y=11
- Snijpunt noteren: Het snijpunt is (4,11).
Door deze stappen en concepten te volgen, kun je de formule van de meeste lineaire functies opstellen en snijpunten berekenen.