De rekenregels van logaritmes zijn essentieel voor het vereenvoudigen van uitdrukkingen en het oplossen van vergelijkingen. Hier zijn de belangrijkste regels:
-
Somregel:
glog(A)+glog(B)=glog(A⋅B)
- Deze regel stelt dat de som van twee logaritmes met hetzelfde grondtal gelijk is aan de logaritme van het product van de getallen.
- Voorbeeld: 2log(4)+2log(8)=2log(4⋅8)=2log(32)=5. (Want 25=32)
-
Verschilregel:
glog(A)−glog(B)=glog(BA)
- Het verschil van twee logaritmes met hetzelfde grondtal is gelijk aan de logaritme van het quotiënt van de getallen.
- Voorbeeld: 3log(27)−3log(3)=3log(327)=3log(9)=2. (Want 32=9)
-
Machtsregel:
P⋅glog(A)=glog(AP)
- Een factor voor een logaritme kan als exponent van het getal in de logaritme worden geplaatst.
- Voorbeeld: 2⋅5log(25)=5log(252)=5log(625)=4. (Want 54=625)
-
Grondtalverandering:
glog(A)=plog(g)plog(A)
- Deze regel maakt het mogelijk om een logaritme met grondtal g om te zetten naar een logaritme met een ander grondtal p. Dit is handig als je bijvoorbeeld een rekenmachine gebruikt die alleen de 10log of de natuurlijke logaritme (ln) heeft.
- Voorbeeld: Om 2log(16) te berekenen met een rekenmachine die alleen 10log heeft: 2log(16)=log(2)log(16)=0,3011,204≈4.
-
Inverse relatie:
- gglog(A)=A
- De exponentiële functie en de logaritmische functie zijn elkaars inverse.
- Voorbeeld: 77log(49)=49.
- glog(gA)=A
- De g-logaritme van g tot de macht A is gelijk aan A.
- Voorbeeld: 5log(53)=3.
-
Speciale gevallen:
- Als er geen grondtal bij de logaritme staat (bijvoorbeeld log(x)), dan is dit standaard de 10log.
- alog(1)=0, omdat elk getal a tot de macht 0 gelijk is aan 1.
- alog(a)=1, omdat a tot de macht 1 gelijk is aan a.
Deze regels zijn de basis voor het werken met logaritmes en het oplossen van logaritmische vergelijkingen.