Om logaritmes door elkaar te delen, gebruik je de verandering van grondtal-regel (rekenregel 4). Deze regel helpt je om een logaritme met een bepaald grondtal om te zetten naar een deling van twee logaritmes met een ander, zelfgekozen grondtal.
De regel ziet er zo uit:
loggA=logpglogpA
Hierbij is:
- g het oorspronkelijke grondtal van de logaritme.
- A het argument van de logaritme.
- p een nieuw grondtal dat je kiest (vaak 10 of e, omdat je die op je rekenmachine hebt).
Je deelt dus de logaritme van het argument (A) met het nieuwe grondtal (p) door de logaritme van het oorspronkelijke grondtal (g) met datzelfde nieuwe grondtal (p).
Voorbeeld:
Stel, je wilt log28 berekenen, maar je rekenmachine heeft alleen de 10-logaritme (log) of de natuurlijke logaritme (ln).
Met de verandering van grondtal-regel kun je dit omzetten:
log28=log102log108
Als je dit uitrekent:
- log108≈0,903
- log102≈0,301
- 0,3010,903≈3
Dit klopt, want 23=8.
Een ander voorbeeld is het omzetten van log2q naar een 10-logaritme:
log2q=log2logq
Hier is het oorspronkelijke grondtal g=2, het argument A=q, en het nieuwe grondtal p=10 (want als er geen grondtal bij de log staat, is het de 10-logaritme).