Een logaritmische functie is het tegenovergestelde van een exponentiële functie. Als je bijvoorbeeld de functie f(x)=logg(x) hebt, dan zoek je naar de exponent die je het grondtal g moet geven om x te krijgen.
Belangrijke kenmerken van logaritmische functies:
- Grondtal (g): Dit is het getal dat 'onder' de log staat. Het grondtal moet altijd groter zijn dan 0 en mag niet 1 zijn.
- Stijgend of dalend: Als het grondtal g groter is dan 1, is de grafiek stijgend. Ligt g tussen 0 en 1, dan is de grafiek dalend.
- Domein: Een logaritmische functie is alleen gedefinieerd voor x>0. Dit betekent dat de grafiek nooit de y-as raakt of overschrijdt.
- Bereik: Het bereik van een logaritmische functie zijn alle reële getallen (R).
- Asymptoot: De lijn x=0 (de y-as) is de verticale asymptoot. De grafiek komt hier steeds dichterbij, maar raakt deze nooit.
Een voorbeeld: als je f(x)=log2(8) hebt, dan is de uitkomst 3, omdat 23=8.
De inverse van een logaritmische functie
De inverse van een logaritmische functie is altijd een exponentiële functie, en andersom. Ze heffen elkaar als het ware op.
Als je een logaritmische functie hebt zoals:
y=logg(x)
Dan vind je de inverse door x en y om te wisselen en de formule om te schrijven naar y. Dit doe je door de definitie van de logaritme te gebruiken:
x=gy
En als je dit weer naar y omzet, krijg je de inverse functie:
y=gx
Dus, de inverse van y=logg(x) is y=gx. En de inverse van y=gx is y=logg(x). Grafisch gezien zijn deze twee functies elkaars spiegelbeeld ten opzichte van de lijn y=x.
Verticale asymptoten bij logaritmische functies
Een verticale asymptoot is een verticale lijn waar de grafiek van een functie steeds dichterbij komt, maar deze nooit raakt of overschrijdt. Dit gebeurt vaak op plekken waar de functie niet gedefinieerd is.
Voor een standaard logaritmische functie, zoals y=logg(x), is de verticale asymptoot de lijn x=0 (de y-as). Dit komt omdat het domein van een logaritmische functie altijd x>0 is. Je kunt geen logaritme nemen van 0 of een negatief getal.
Als de logaritmische functie getransformeerd is, bijvoorbeeld door een horizontale verschuiving, dan verschuift de verticale asymptoot mee.
Stel je hebt de functie y=logg(x−c).
De verticale asymptoot vind je door het argument van de logaritme gelijk te stellen aan nul:
x−c=0
x=c
Dus, de verticale asymptoot is dan de lijn x=c.