Een gelijkbenige driehoek heeft specifieke eigenschappen die het berekenen van hoeken vergemakkelijken.
Eigenschappen van een gelijkbenige driehoek:
- Een gelijkbenige driehoek heeft twee zijden die even lang zijn. Deze zijden worden de benen genoemd.
- De hoeken die tegenover deze gelijke zijden liggen, zijn ook aan elkaar gelijk. Dit zijn de basishoeken.
- De hoek tussen de twee gelijke zijden (de benen) is de tophoek.
- De zijde die tegenover de tophoek ligt, is de basis van de driehoek.
Hoeken berekenen in een gelijkbenige driehoek:
De som van alle hoeken in elke driehoek is altijd 180∘. Met deze kennis en de eigenschappen van een gelijkbenige driehoek kun je de onbekende hoeken berekenen.
Er zijn twee veelvoorkomende situaties:
-
De tophoek is bekend:
Als je de tophoek weet, kun je de som van de twee basishoeken berekenen door de tophoek van 180∘ af te trekken. Omdat de twee basishoeken gelijk zijn, deel je de resterende som door twee om de grootte van elke basishoek te vinden.
- Voorbeeld: Stel de tophoek van een gelijkbenige driehoek is 96∘.
- Bereken de som van de basishoeken: 180∘−96∘=84∘.
- Bereken de individuele basishoeken: 84∘/2=42∘.
- De twee andere hoeken zijn dus elk 42∘.
-
Eén van de basishoeken is bekend:
Als je één basishoek weet, weet je automatisch de andere basishoek, omdat deze in een gelijkbenige driehoek gelijk zijn. Vervolgens tel je deze twee basishoeken bij elkaar op en trek je de som af van 180∘ om de tophoek te vinden.
-
Voorbeeld: Stel één basishoek van een gelijkbenige driehoek is 70∘.
- De andere basishoek is ook 70∘.
- Bereken de som van de basishoeken: 70∘+70∘=140∘.
- Bereken de tophoek: 180∘−140∘=40∘.
- De tophoek is dus 40∘.
-
Belangrijke opmerking: Een basishoek in een gelijkbenige driehoek kan nooit 90∘ of groter zijn. Als één basishoek bijvoorbeeld 96∘ zou zijn, dan zou de andere basishoek ook 96∘ zijn. De som van deze twee hoeken (96∘+96∘=192∘) is al meer dan 180∘, wat onmogelijk is voor de hoekensom van een driehoek.