Vul de lege velden in met de juiste vorm van de passé composé
Leerdoelen
•Ik kan uitleggen wat de passé composé voor werkwoordsvorm is.
•Ik kan de passé composé in de goede context gebruiken.
•Ik snap wanneer ik de passé composé met avoir of met être moet vervoegen.
•Ik kan de passé composé van de onregelmatige werkwoorden in de juiste vorm vervoegen.
Wanneer gebruik je de passé composé?
Je gebruikt de passé composé om korte, afgeronde gebeurtenissen te beschrijven. Iets dat gebeurde en nu voltooid is. Deze gebeurtenissen hebben een duidelijk begin en einde, bijvoorbeeld 'in 2003', 'vorige week' of 'gisteren'. Het wordt vaak gebruikt om opeenvolgende gebeurtenissen te beschrijven, bijvoorbeeld, 'Plotseling viel de lamp' of 'Toen ik mijn schoenen aantrok...'.

Hulpwerkwoorden: Avoir en Être
Voor de passé composé gebruik je twee werkwoorden: avoir (hebben) en être (zijn). Deze moet je goed uit je hoofd kennen. Meestal gebruik je 'avoir' in de passé composé, dus als je niet zeker bent, gebruik dan 'avoir'.
Avoir in de présent: j'ai (ik heb), tu as (jij hebt), il/elle/on a (hij/zij/men heeft), nous avons (wij hebben), vous avez (jullie hebben), ils/elles ont (zij hebben).
Être in de présent: je suis (ik ben), tu es (jij bent), il/elle/on est (hij/zij/men is), nous sommes (wij zijn), vous êtes (jullie zijn), ils/elles sont (zij zijn).

Vaak kun je in het Nederlands horen of je 'hebben' (avoir) of 'zijn' (être) moet gebruiken. Bijvoorbeeld, als je hoort "Ik heb gegeten," dan weet je dat je 'avoir' kunt gebruiken in het Frans: "J'ai mangé." Werkwoorden met 'être' zijn vaak werkwoorden die een beweging aangeven, zoals aankomen, binnengaan, uitgaan, vallen, vertrekken.
Onregelmatige werkwoorden
Er zijn een aantal onregelmatige werkwoorden die je vaak zal tegenkomen in de passé composé. Bijvoorbeeld:
•Avoir (hebben) wordt eu
•Faire (doen, maken) wordt fait
•Mettre (zetten, plaatsen) wordt mis
•Lire (lezen) wordt lu
•Voir (zien) wordt vu
•Perdre (verliezen) wordt perdu
•Pouvoir (kunnen) wordt pu
•Savoir (weten) wordt su
•Dire (zeggen) wordt dit
•Prendre (nemen) wordt pris
•Être (zijn) wordt été. Let op: hoewel 'être' in het Nederlands 'zijn' betekent, vervoegen we dit met 'avoir' in het Frans. Dus je zegt eigenlijk 'ik heb geweest'.


Geslacht en meervoud in passé composé
Bij werkwoorden die 'avoir' gebruiken in de passé composé, verandert het voltooid deelwoord niet in vorm. Bijvoorbeeld: j'ai eu (ik heb gehad), tu as eu (jij hebt gehad), il a eu (hij heeft gehad). Het blijft altijd 'eu', ongeacht het gender of meervoud.
Bij werkwoorden met 'être', moet je goed opletten op het geslacht en het aantal van het onderwerp. Bij vrouwelijke onderwerpen voeg je een 'e' toe aan het voltooid deelwoord. Bij meervoudige onderwerpen (mannelijk of vrouwelijk) voeg je een 's' toe. Bij vrouwelijke meervoudige onderwerpen voeg je zowel een 'e' als een 's' toe.














