Vul de lege velden in met de juiste vorm van de passé composé
Leerdoelen
•Ik kan uitleggen wat de passé composé voor werkwoordsvorm is.
•Ik kan de passé composé in de goede context gebruiken.
•Ik snap wanneer ik de passé composé met avoir of met être moet vervoegen.
•Ik kan de passé composé van de regelmatige werkwoorden in de juiste vorm vervoegen.
Avoir en Être: De twee hulpwerkwoorden
Om de passé composé te construeren hebben we twee hulpwerkwoorden nodig. Deze zijn avoir (hebben) en être (zijn). Het is cruciaal dat je deze werkwoorden kunt vervoegen.

Het gebruik van de passé composé
De passé composé gebruik je om korte, afgeronde gebeurtenissen te beschrijven. Dit betekent dat het begin en het einde van de gebeurtenis duidelijk zijn. Voorbeelden zijn: "In 2003", "in de winter", "in januari", "vorige week", enz. Een andere manier om de passé composé te visualiseren is door te denken aan een film met verschillende scènes die naast elkaar kunnen worden geplaatst.

Het vervoegen van werkwoorden in passé composé
Bij het vervoegen van werkwoorden in de passé composé, gebruiken we meestal het hulpwerkwoord 'avoir'. De regel die we toepassen hangt af van het einde van de infinitief van het hoofdwerkwoord. Als de infinitief eindigt op ER, halen we de ER af en vervangen we deze door een "é". Als de werkwoorden op RE eindigt, halen we de RE eraf en vervangen we deze door een "u". En als het werkwoord eindigt op IR, halen we de IR eraf en vervangen we deze door een "i".

Passé composé bij werkwoorden die een beweging aangeven
Werkwoorden die een beweging aangeven, worden in de passé composé vervoegd met 'être'. Bij deze werkwoorden moeten we extra aandacht besteden aan geslacht en getal. Als het geslacht vrouwelijk is, voegen we een "-e" toe aan het einde van het voltooid deelwoord. En als het meervoud is, voegen we een "-s" toe aan het einde van het voltooid deelwoord.














