De verleden tijd in het Frans, de passé composé, wordt gebruikt voor korte, afgeronde gebeurtenissen in het verleden. Je vormt deze tijd met drie onderdelen:
- Het persoonlijk voornaamwoord (bijvoorbeeld je, tu, il/elle/on, nous, vous, ils/elles).
- Een hulpwerkwoord, meestal avoir (hebben) of soms être (zijn), vervoegd in de tegenwoordige tijd.
- Een voltooid deelwoord.
Voor regelmatige werkwoorden op -IR, zoals finir (eindigen) of choisir (kiezen), vorm je het voltooid deelwoord door de uitgang '-ir' te vervangen door '-i'.
Voorbeeld:
- Finir (eindigen)
- Stam: fin
- Voltooid deelwoord: fini
- Passé composé met avoir:
- J'ai fini (Ik heb geëindigd)
- Tu as fini (Jij hebt geëindigd)
- Il/elle/on a fini (Hij/zij/men heeft geëindigd)
- Nous avons fini (Wij hebben geëindigd)
- Vous avez fini (Jullie/u hebben geëindigd)
- Ils/elles ont fini (Zij hebben geëindigd)
De meeste regelmatige werkwoorden op -IR gebruiken avoir als hulpwerkwoord. Werkwoorden die beweging of een verandering van staat uitdrukken, gebruiken vaak être.
Voorbeeld met être (voor werkwoorden die op -IR eindigen en être gebruiken, hoewel dit minder vaak voorkomt bij regelmatige -IR werkwoorden):
- Partir (vertrekken) - Dit is een onregelmatig werkwoord, maar het illustreert het gebruik van être.
- Voltooid deelwoord: parti (of partie, partis, parties afhankelijk van geslacht en getal)
- Passé composé met être:
- Je suis parti(e) (Ik ben vertrokken)
- Tu es parti(e) (Jij bent vertrokken)
- Il est parti (Hij is vertrokken)
- Elle est partie (Zij is vertrokken)
- Nous sommes parti(e)s (Wij zijn vertrokken)
- Vous êtes parti(e)s (Jullie/u zijn vertrokken)
- Ils sont partis (Zij zijn vertrokken)
- Elles sont parties (Zij zijn vertrokken)
Let op: bij het gebruik van être als hulpwerkwoord moet het voltooid deelwoord overeenkomen in geslacht en getal met het onderwerp.