De vervoeging van Franse werkwoorden in de tegenwoordige tijd voor 'ik' (je) volgt specifieke regels, afhankelijk van de groep waartoe het werkwoord behoort.
1. Werkwoorden die eindigen op -er (eerste groep)
De meeste Franse werkwoorden eindigen op -er. Om deze te vervoegen voor 'je' (ik), verwijder je de uitgang '-er' en voeg je '-e' toe.
- Voorbeeld: parler (praten)
- Stam: parl-
- Ik praat: Je parle
- Voorbeeld: aimer (houden van)
- Stam: aim-
- Ik houd van: J'aime (Let op: als de stam begint met een klinker, wordt 'je' afgekort tot 'j'')
- Voorbeeld: jouer (spelen)
- Stam: jou-
- Ik speel: Je joue
2. Werkwoorden die eindigen op -ir (tweede groep)
Voor werkwoorden die eindigen op -ir en tot de tweede groep behoren (zoals finir, choisir), verwijder je de uitgang '-ir' en voeg je '-is' toe.
- Voorbeeld: finir (eindigen)
- Stam: fin-
- Ik eindig: Je finis
- Voorbeeld: choisir (kiezen)
- Stam: chois-
- Ik kies: Je choisis
3. Werkwoorden die eindigen op -re (derde groep)
Voor werkwoorden die eindigen op -re, verwijder je de uitgang '-re' en voeg je '-s' toe.
- Voorbeeld: vendre (verkopen)
- Stam: vend-
- Ik verkoop: Je vends
- Voorbeeld: attendre (wachten)
- Stam: attend-
- Ik wacht: J'attends
4. Onregelmatige werkwoorden (derde groep)
Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en volgen geen vaste regels. Deze moet je uit je hoofd leren. Enkele veelvoorkomende voorbeelden voor 'je' zijn:
- être (zijn): Je suis (Ik ben)
- avoir (hebben): J'ai (Ik heb)
- aller (gaan): Je vais (Ik ga)
- faire (doen/maken): Je fais (Ik doe/maak)
- pouvoir (kunnen): Je peux (Ik kan)
- vouloir (willen): Je veux (Ik wil)
Het is belangrijk om te oefenen met de verschillende groepen en de onregelmatige werkwoorden om de vervoegingen goed onder de knie te krijgen.