Kies de juiste vervoeging van avoir in de passé composé
Het werkwoord 'avoir'
Avoir is een van de meest gebruikte Franse werkwoorden. In deze samenvatting leer je hoe je avoir kunt vervoegen in verschillende werkwoordstijden, zoals de présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple en de conditionnel. Gebruik deze samenvatting en oefen met de voorbeeldzinnen om je kennis te verbeteren.
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘avoir’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
In de présent is avoir wat we in het Nederlands "hebben" noemen. Het wordt als volgt vervoegd:
Je ai (J'ai) | Ik heb |
Tu as | Jij hebt |
Il/Elle/On a | Hij/Zij/Men heeft |
Nous avons | Wij hebben |
Vous avez | Jullie hebben/ U heeft |
Ils/Elles ont | Zij hebben |
Voorbeeldzinnen:
•J'ai un problème. (Ik heb een probleem.)
•On a un animal. (Men heeft een dier/Wij hebben een dier.)
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)
De passé composé gebruik je voor afgeronde gebeurtenissen in het verleden. Dit zijn vaak korte, concrete momenten.
J'ai eu | Ik heb gehad |
Tu as eu | Jij hebt gehad |
Il/Elle/On a eu | Hij/Zij/Men heeft gehad |
Kortom, het voltooid deelwoord van ‘avoir’ is ‘eu’ en het hulpwerkwoord hierbij is ook ‘avoir’! In bovenstaande tabel staat dit alleen vervoegd voor de enkelvoudige persoonlijke voornaamwoorden, maar dit geldt natuurlijk ook voor de meervoudige persoonlijke voornaamwoorden.
Voorbeeldzinnen:
•J'ai eu un problème. (Ik heb een probleem gehad.)
•Ils ont eu un caravan. (Zij hebben een caravan gehad.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
De imparfait geeft situaties of gewoonten in het verleden aan. Het wordt vaak gebruikt bij beschrijvingen en gewoontes.
Je avais (J'avais) | Ik had |
Tu avais | Jij had |
Il/Elle/On avait | Hij/Zij/Men had |
Nous avions | Wij hadden |
Vous aviez | Jullie hadden/ U had |
Ils/Elles avaient | Zij hadden |

Voorbeeldzinnen:
•J'avais un problème. (Ik had een probleem.)
•Nous avions un problème. (Wij hadden een probleem.)
Futur proche (nabije toekomst)
De futur proche wordt gebruikt voor gebeurtenissen die binnenkort zullen plaatsvinden. Hiervoor heb je dus de vervoeging van het werkwoord ‘aller’ nodig en daarachter plaats je het hele werkwoord ‘avoir'.
Je vais avoir | Ik ga hebben |
Tu vas avoir | Jij gaat hebben |
Il/Elle/On va avoir | Hij/Zij/Men gaat hebben |
Nous allons avoir | Wij gaan hebben |
Vous allez avoir | Jullie gaan/ U gaat hebben |
Ils/Elles vont avoir | Zij gaan hebben |
Voorbeeldzinnen:
•Je vais avoir un chien. (Ik ga een hond hebben.)
•Nous allons avoir un problème. (Wij gaan een probleem hebben.)
Futur simple (toekomende tijd)
In de futur simple spreek je over dingen die verder in de toekomst zullen gebeuren.
Je aurai (J'aurai) | Ik zal hebben |
Tu auras | Jij zult hebben |
Il/Elle/On aura | Hij/Zij/Men zal hebben |
Nous aurons | Wij zullen hebben |
Vous aurez | Jullie zullen/ U zult hebben |
Ils/Elles auront | Zij zullen hebben |

Voorbeeldzinnen:
•J'aurai un problème. (Ik zal een probleem hebben.)
•Ils auront un caravane. (Zij zullen een caravan hebben.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
De conditionnel wordt gebruikt voor situaties van "zou hebben" of om hypothetische scenario's aan te geven.
Je aurais (J'aurais) | Ik zou hebben |
Tu aurais | Jij zou hebben |
Il/Elle/On aurait | Hij/Zij/Men zou hebben |
Nous aurions | Wij zouden hebben |
Vous auriez | Jullie zouden/ U zou hebben |
Ils/Elles auraient | Zij zouden hebben |

Voorbeeldzinnen:
•J'aurais un problème. (Ik zou een probleem hebben.)
•Vous auriez une voiture? (Zou u een auto hebben?)













