Molrekenen is een essentieel onderdeel van de scheikunde waarbij je rekent met de hoeveelheid stof, uitgedrukt in 'mol'. Een mol is een vaste hoeveelheid deeltjes (atomen, moleculen, ionen), vergelijkbaar met hoe een 'dozijn' 12 stuks betekent. Eén mol van een stof bevat altijd 6,022⋅1023 deeltjes (het getal van Avogadro).
De belangrijkste toepassing van molrekenen is het omrekenen tussen de massa van een stof (in gram) en het aantal mol van die stof. Dit doe je met behulp van de molaire massa (M). De molaire massa is de massa van één mol van een stof en wordt uitgedrukt in gram per mol (g/mol).
De formule die je hiervoor gebruikt is:
n=Mm
Waarbij:
- n = aantal mol (in mol)
- m = massa van de stof (in gram)
- M = molaire massa van de stof (in gram per mol)
Voorbeeldopdracht:
Stel, je hebt 25 gram koolstofdioxide (CO2). Hoeveel mol koolstofdioxide is dat?
Stappenplan:
-
Bepaal de molaire massa (M) van CO2.
Hiervoor heb je de atoommassa's van de afzonderlijke elementen nodig (deze vind je vaak in het periodiek systeem):
- Atoommassa van koolstof (C) ≈12,01 g/mol
- Atoommassa van zuurstof (O) ≈16,00 g/mol
De formule van koolstofdioxide is CO2, wat betekent dat er één koolstofatoom en twee zuurstofatomen in één molecuul zitten.
M(CO2)=(1⋅atoommassa C)+(2⋅atoommassa O)
M(CO2)=(1⋅12,01 g/mol)+(2⋅16,00 g/mol)
M(CO2)=12,01 g/mol+32,00 g/mol
M(CO2)=44,01 g/mol
-
Gebruik de formule n=Mm om het aantal mol te berekenen.
Je hebt een massa (m) van 25 gram CO2 en de berekende molaire massa (M) is 44,01 g/mol.
n(CO2)=44,01 g/mol25 g
n(CO2)≈0,568 mol
Dus, 25 gram koolstofdioxide is ongeveer 0,568 mol koolstofdioxide.