De Present Perfect gebruik je als iets in het verleden is begonnen en het is nog niet af. De actie of situatie duurt dus nog steeds voort, of de gevolgen ervan zijn nu nog steeds merkbaar.
Een goed voorbeeld is:
"She has lived in Utrecht since 2010."
Dit betekent dat ze in 2010 in Utrecht is gaan wonen en daar nu nog steeds woont. De situatie is dus nog niet afgelopen!
Om de Present Perfect te maken, heb je twee belangrijke onderdelen nodig:
- Een vorm van het werkwoord to have (dus 'have' of 'has').
- Het voltooid deelwoord van het hoofdwerkwoord.
'Have' of 'has' kiezen
- Je gebruikt has bij 'she', 'he' en 'it' (de SHIT-regel).
- Bij 'I', 'you', 'we' en 'they' gebruik je have.
Het voltooid deelwoord vormen
Het voltooid deelwoord is de vorm van het werkwoord die je gebruikt na 'have' of 'has' in de Present Perfect. De manier waarop je het voltooid deelwoord maakt, hangt af van of het werkwoord regelmatig of onregelmatig is.
-
Regelmatige werkwoorden: Hier zet je meestal -ed achter het hele werkwoord.
- Voorbeeld: 'walk' wordt 'walked'.
- Voorbeeld: 'bake' wordt 'baked'.
-
Onregelmatige werkwoorden: Deze volgen geen vaste regel. Je moet hiervoor het derde rijtje van de onregelmatige werkwoorden gebruiken.
- Voorbeeld: 'swim' wordt 'swum' (swim - swam - swum).
- Voorbeeld: 'buy' wordt 'bought' (buy - bought - bought).
Voorbeelden van de Present Perfect
Hier zijn een paar voorbeelden van hoe je de Present Perfect maakt, met zowel regelmatige als onregelmatige werkwoorden:
-
Met een regelmatig werkwoord (zoals 'walk'):
- "I have walked to school."
- Hier zie je 'have' (omdat het 'I' is) en 'walked' (het voltooid deelwoord van 'walk' met -ed).
-
Met een onregelmatig werkwoord (zoals 'buy'):
- "She has bought a new book."
- Hier zie je 'has' (omdat het 'she' is) en 'bought' (het voltooid deelwoord, de derde vorm, van 'buy').