Om de verstreken tijd (t) bij radioactief verval te berekenen, gebruik je de formule voor radioactief verval en bouw je deze om. De basisformule, vaak gebruikt voor activiteit (A) of het aantal kernen (N), is:
At=A0⋅(21)T21t
Hierin is:
- At de activiteit op tijd t (de activiteit die na een bepaalde tijd over is).
- A0 de beginactiviteit (de oorspronkelijke activiteit op tijd t=0).
- t de totale verstreken tijd die je wilt berekenen.
- T21 de halveringstijd van de stof (de tijd waarin de helft van de oorspronkelijke activiteit vervalt).
Om de tijd (t) te berekenen, moet je de formule ombouwen. Dit doe je met behulp van logaritmes:
-
Deel beide kanten door A0:
A0At=(21)T21t
-
Neem de natuurlijke logaritme (ln) van beide kanten:
ln(A0At)=ln((21)T21t)
-
Pas de logaritme-regel toe (ln(xy)=y⋅ln(x)) om de exponent naar beneden te halen:
ln(A0At)=T21t⋅ln(21)
-
Isoleer t door beide kanten te vermenigvuldigen met T21 en te delen door ln(21):
t=T21⋅ln(21)ln(A0At)
Je kunt ook gebruiken dat ln(21)=−ln(2). De formule wordt dan:
t=T21⋅−ln(2)ln(A0At)
Voorbeeld: Berekenen van de tijd voor een onbekende stof
Stel, je hebt een radioactieve stof met een halveringstijd (T21) van 5,0 uur. De beginactiviteit (A0) was 1000 Bq en de huidige activiteit (At) is 125 Bq. Je wilt weten hoeveel tijd er is verstreken.
-
Gegevens noteren:
- T21=5,0 uur
- A0=1000 Bq
- At=125 Bq
-
Vul de waarden in de omgebouwde formule in:
t=5,0 uur⋅ln(21)ln(1000 Bq125 Bq)
-
Bereken de verhouding en de logaritmes:
1000125=0,125
ln(0,125)≈−2,079
ln(21)=ln(0,5)≈−0,693
-
Voer de berekening uit:
t=5,0 uur⋅−0,693−2,079
t=5,0 uur⋅3
t=15,0 uur
Er is dus 15,0 uur verstreken. Dit klopt, want na 5 uur is de activiteit 500 Bq, na 10 uur is het 250 Bq, en na 15 uur is het 125 Bq (drie halveringen).