Een hypothesetoets met een binomiale verdeling gebruik je om te bepalen of een waargenomen aantal successen in een steekproef significant afwijkt van wat je zou verwachten onder een bepaalde aanname (de nulhypothese). Dit proces bestaat uit verschillende stappen:
Stap 1: Bepaal de toetsingsgrootheid (X) en stel de hypothesen op (H0 en H1)
-
Toetsingsgrootheid (X): Dit is het aantal 'successen' in je steekproef. Een succes is de gebeurtenis waarin je geïnteresseerd bent.
- Voorbeeld: Als je onderzoekt hoe vaak een dobbelsteen op een krokodil met kiespijn terechtkomt, is X het aantal keren dat de dobbelsteen op de krokodil met kiespijn valt.
- Voorbeeld: Als je onderzoekt hoeveel pakketten een ontbrekend onderdeel hebben, is X het aantal pakketten met een ontbrekend onderdeel.
-
Nulhypothese (H0): Dit is de aanname die je wilt testen. Vaak is dit de 'standaard' of 'geen effect'-situatie. Voor een binomiale verdeling stel je H0 op als een specifieke kans p.
- Formaat: H0:p=waarde
- Voorbeeld: Als een dobbelsteen eerlijk is, is de kans op de krokodil met kiespijn 1 op 6. Dus, H0:p=61.
- Voorbeeld: Als de manager beweert dat hoogstens 2% van de pakketten een onderdeel mist, dan is de grenswaarde p=0.02. Dus, H0:p=0.02.
-
Alternatieve hypothese (H1): Dit is wat je vermoedt als de nulhypothese niet waar is. H1 kan eenzijdig (groter dan of kleiner dan) of tweezijdig (niet gelijk aan) zijn.
- Eenzijdige toets (rechts): Je vermoedt dat de kans groter is dan onder H0.
- Formaat: H1:p>waarde
- Voorbeeld: Als je vermoedt dat de dobbelsteen te vaak op de krokodil met kiespijn terechtkomt: H1:p>61.
- Voorbeeld: Als je vermoedt dat het percentage ontbrekende onderdelen hoger is dan 2%: H1:p>0.02.
- Eenzijdige toets (links): Je vermoedt dat de kans kleiner is dan onder H0.
- Formaat: H1:p<waarde
- Tweezijdige toets: Je vermoedt dat de kans anders is dan onder H0 (zowel groter als kleiner).
- Formaat: H1:p=waarde
- Voorbeeld: Als je vermoedt dat een kans verandert of afwijkt van 0.3: H1:p=0.3.
Stap 2: Bepaal het model en het significantieniveau (α)
-
Model: De toetsingsgrootheid X volgt een binomiale verdeling onder de nulhypothese.
- Formaat: X∼B(n,p)
- Hierin is n de steekproefomvang (het totale aantal herhalingen) en p is de kans op succes onder de nulhypothese (H0).
- Voorbeeld: Bij 50 worpen met een dobbelsteen en H0:p=61: X∼B(50,61).
- Voorbeeld: Bij een steekproef van 40 pakketten en H0:p=0.02: X∼B(40,0.02).
-
Significantieniveau (α): Dit is de maximale kans op een fout van de eerste soort die je accepteert. Meestal is α=0.05 (5%).
- Bij een tweezijdige toets verdeel je α over de twee staarten, dus elke staart krijgt 2α.
Stap 3: Bereken de p-waarde of bepaal het kritieke gebied
Je kunt de conclusie trekken op basis van de p-waarde of door het kritieke gebied te bepalen.
Methode A: P-waarde berekenen
De p-waarde is de kans op het waargenomen resultaat (of een nog extremere uitkomst) onder de aanname dat de nulhypothese waar is.
- Waargenomen waarde: Noteer de waarde van X die je in je steekproef hebt gevonden.
- P-waarde berekenen:
- Bij H1:p>waarde (rechtszijdige toets): Bereken P(X≥waargenomen waarde∣H0).
- Voorbeeld: Je gooit 11 keer de krokodil met kiespijn bij X∼B(50,61).
P(X≥11∣p=61)=1−P(X≤10∣p=61)≈1−0.8201=0.1799.
- Bij H1:p<waarde (linkszijdige toets): Bereken P(X≤waargenomen waarde∣H0).
- Bij H1:p=waarde (tweezijdige toets): Bereken de kans op de waargenomen waarde in de staart waar deze zich bevindt, en vermenigvuldig deze met 2 (als de verdeling symmetrisch genoeg is). Of bepaal de kans op een afwijking in beide richtingen.
Methode B: Kritieke gebied bepalen
Het kritieke gebied bestaat uit de waarden van X waarvoor je de nulhypothese zou verwerpen.
- Eenzijdige toets (rechts, H1:p>waarde): Zoek de kleinste waarde k waarvoor geldt P(X≥k∣H0)≤α.
- Voorbeeld: Bij X∼B(50,61) en α=0.05:
- P(X≥11)≈0.1799
- P(X≥12)≈0.0920
- P(X≥13)≈0.0415
Het kritieke gebied is X≥13.
- Eenzijdige toets (links, H1:p<waarde): Zoek de grootste waarde k waarvoor geldt P(X≤k∣H0)≤α.
- Tweezijdige toets (H1:p=waarde): Zoek twee waarden, k1 en k2.
- Zoek de grootste k1 waarvoor P(X≤k1∣H0)≤2α.
- Zoek de kleinste k2 waarvoor P(X≥k2∣H0)≤2α.
- Het kritieke gebied is dan X≤k1 of X≥k2.
- Voorbeeld: Bij X∼B(100,0.3) en α=0.05 (2α=0.025):
- P(X≤23∣p=0.3)≈0.0179 (dus k1=23)
- P(X≥38∣p=0.3)≈0.0123 (dus k2=38)
Het kritieke gebied is X≤23 of X≥38.
Stap 4: Trek een conclusie
-
Met p-waarde:
- Als de p-waarde ≤α, verwerp je de nulhypothese (H0). Er is voldoende bewijs voor de alternatieve hypothese (H1).
- Als de p-waarde >α, verwerp je de nulhypothese (H0) niet. Er is onvoldoende bewijs voor de alternatieve hypothese (H1).
- Voorbeeld: P-waarde van 0.1799 is >0.05. Verwerp H0 niet. Er is onvoldoende bewijs dat de dobbelsteen te vaak op de krokodil met kiespijn terechtkomt.
-
Met kritieke gebied:
- Als de waargenomen waarde van X in het kritieke gebied valt, verwerp je de nulhypothese (H0).
- Als de waargenomen waarde van X niet in het kritieke gebied valt, verwerp je de nulhypothese (H0) niet.
- Voorbeeld: Je gooit 11 keer de krokodil met kiespijn. Het kritieke gebied is X≥13. Omdat 11 niet in het kritieke gebied valt, verwerp je H0 niet.
Fout van de eerste soort
Een fout van de eerste soort treedt op wanneer je de nulhypothese (H0) verwerpt, terwijl deze in werkelijkheid waar is. De kans op een fout van de eerste soort is gelijk aan het significantieniveau α.
- Voorbeeld: Als H0:p=0.3 en H1:p<0.3, en je verwerpt H0 als X≤20 bij n=100. De kans op een fout van de eerste soort is P(X≤20∣p=0.3)≈0.0127.
Door deze stappen te volgen, kun je systematisch een hypothesetoets uitvoeren met een binomiale verdeling.