Om breuken met letters op te tellen of af te trekken, volg je vergelijkbare stappen als bij breuken met alleen getallen. Het belangrijkste is dat de noemers (de onderkant van de breuk) hetzelfde moeten zijn voordat je de tellers (de bovenkant van de breuk) bij elkaar optelt of van elkaar aftrekt.
1. Breuken met gelijke noemers (met letters)
Als de noemers al hetzelfde zijn, is het proces eenvoudig:
- Tel de tellers bij elkaar op of trek ze van elkaar af.
- De noemer blijft hetzelfde.
- Vereenvoudig de breuk indien mogelijk.
Voorbeeld 1: Optellen van breuken met gelijke noemers en letters
Stel je hebt de som:
3y4+3y2
- De noemers zijn beide 3y, dus ze zijn gelijk.
- Tel de tellers bij elkaar op: 4+2=6.
- De noemer blijft 3y.
- De uitkomst is 3y6.
- Deze breuk kan vereenvoudigd worden door zowel de teller (6) als de noemer (3y) te delen door 3:
3y÷36÷3=y2
2. Breuken met ongelijke noemers (met letters)
Als de noemers niet hetzelfde zijn, moet je ze eerst gelijknamig maken. Dit doe je door de noemers zo te vermenigvuldigen dat ze dezelfde uitkomst krijgen. Wat je met de noemer doet, moet je ook met de teller doen.
Voorbeeld 2: Aftrekken van breuken met ongelijke noemers en letters
Stel je hebt de som:
2a5−b1
- De noemers zijn 2a en b. Deze zijn niet gelijk.
- Om ze gelijknamig te maken, zoeken we een gemeenschappelijke noemer. Een makkelijke manier is om de noemers met elkaar te vermenigvuldigen: 2a⋅b=2ab.
- Maak de eerste breuk gelijknamig:
Om van 2a naar 2ab te gaan, vermenigvuldig je de noemer met b. Doe dit ook met de teller:
2a⋅b5⋅b=2ab5b
- Maak de tweede breuk gelijknamig:
Om van b naar 2ab te gaan, vermenigvuldig je de noemer met 2a. Doe dit ook met de teller:
b⋅2a1⋅2a=2ab2a
- Voer de bewerking uit op de tellers:
Nu de noemers hetzelfde zijn (2ab), trek je de tellers van elkaar af: 5b−2a.
Let op: 5b en 2a zijn geen gelijksoortige termen, dus je kunt ze niet verder samenvoegen.
- De noemer blijft 2ab.
- De uiteindelijke uitkomst is:
2ab5b−2a
Voorbeeld 3: Optellen van breuken met ongelijke noemers en letters
Stel je hebt de som:
x4+2x3
- De noemers zijn x en 2x. Deze zijn niet gelijk.
- Om ze gelijknamig te maken, kun je de eerste noemer (x) vermenigvuldigen met 2 om 2x te krijgen. De gemeenschappelijke noemer is 2x.
- Maak de eerste breuk gelijknamig:
Om van x naar 2x te gaan, vermenigvuldig je de noemer met 2. Doe dit ook met de teller:
x⋅24⋅2=2x8
- De tweede breuk is al 2x3.
- Voer de bewerking uit op de tellers:
Nu de noemers hetzelfde zijn (2x), tel je de tellers bij elkaar op: 8+3=11.
- De noemer blijft 2x.
- De uiteindelijke uitkomst is:
2x11