Om met positieve en negatieve getallen te rekenen, zijn er specifieke regels voor optellen, aftrekken en vermenigvuldigen.
Vermenigvuldigen met positieve en negatieve getallen:
De regels voor vermenigvuldigen bepalen het teken van de uitkomst:
- Plus keer plus is plus (bijvoorbeeld: 2×3=6)
- Min keer min is plus (bijvoorbeeld: −2×−3=6)
- Plus keer min is min (bijvoorbeeld: 2×−3=−6)
- Min keer plus is min (bijvoorbeeld: −2×3=−6)
Optellen en aftrekken met positieve en negatieve getallen:
Bij optellen en aftrekken kun je denken aan een getallenlijn om te bepalen welke kant je op beweegt:
- Een positief getal optellen: Je beweegt naar rechts op de getallenlijn.
- Een positief getal aftrekken: Je beweegt naar links op de getallenlijn.
- Een negatief getal optellen: Dit is hetzelfde als een positief getal aftrekken (je beweegt naar links). Bijvoorbeeld: 5+(−3) is hetzelfde als 5−3.
- Een negatief getal aftrekken: Dit is hetzelfde als een positief getal optellen (je beweegt naar rechts). Bijvoorbeeld: 5−(−3) is hetzelfde als 5+3.
Voorbeeld van een berekening met optellen en aftrekken:
Laten we de som 6−16+15−40 stap voor stap uitrekenen:
-
6−16
- Je begint bij 6 op de getallenlijn en gaat 16 stapjes naar links.
- De uitkomst is −10.
-
−10+15
- Vanaf −10 tel je er 15 bij op, dus je gaat 15 stapjes naar rechts.
- De uitkomst is 5.
-
5−40
- Als laatste trek je er 40 vanaf, dus je gaat 40 stapjes naar links.
- De uitkomst is −35.
De uiteindelijke uitkomst van de som 6−16+15−40 is dus −35.