Leerdoelen
•Je kunt benoemen met welke soorten krachten je moet kunnen werken.
•Je kunt de volgende formules toepassen:
Soorten krachten in de natuurkunde
Hieronder vind je een overzicht van de krachten die in opgaven vaak voorkomen:
Zwaartekracht | |
Normaalkracht | |
Gewicht | |
Veerkracht | |
Schuifwrijvingskracht | |
Luchtweerstandskracht | |
Rolweerstandskracht | |
Spankracht | |
Spierkracht | |
Motorkracht |
Zwaartekracht (F_z )
De zwaartekracht, met symbool
•Heb je een regelmatig voorwerp, zoals een perfect ronde bal, dan grijpt de zwaartekracht aan in het exacte midden van de bal.

•Bij een onregelmatig voorwerp, bijvoorbeeld een driehoek, kun je het massamiddelpunt vinden door loodlijnen te tekenen vanuit de hoeken. Waar deze lijnen elkaar kruisen, daar bevindt zich het zwaartepunt.

De zwaartekracht wijst altijd naar het midden van de aarde.
De formule voor de zwaartekracht is:
Hierbij geldt:
•
•m is de massa van het voorwerp in kilogram (kg).
•g is de valversnelling in meter per seconde kwadraat (m/s²). Op aarde is deze constante ongeveer 9,81 m/s². Op de maan is de valversnelling bijvoorbeeld kleiner, omdat de maan minder massa heeft en daardoor minder hard aan voorwerpen trekt.
Normaalkracht (F_n )
Stel je voor dat een voorwerp op een tafel ligt. De aarde trekt aan dit voorwerp, wat we de zwaartekracht noemen. Het voorwerp oefent door zijn massa ook een kracht uit op de ondergrond, dit noemen we het gewicht. Deze gewichtskracht wijst omlaag en grijpt aan op het ondersteunende vlak.
De normaalkracht (
Als een voorwerp stil ligt op een horizontale ondergrond, is de normaalkracht net zo groot als de zwaartekracht. De normaalkracht grijpt dan aan op het voorwerp zelf, maar wordt veroorzaakt door de ondergrond.

De normaalkracht kan zich aanpassen aan de omstandigheden. Denk aan een situatie in een lift:
•Als de lift stilstaat of met constante snelheid beweegt, is
•Als de lift met het voorwerp erop versnelt omhoog, blijft de zwaartekracht Fz hetzelfde. Echter, de ondergrond moet nu niet alleen het voorwerp dragen, maar ook een extra duwkracht leveren om het voorwerp omhoog te versnellen. Hierdoor wordt de normaalkracht (
•Als de lift versnelt omlaag, dan wordt de normaalkracht kleiner dan de zwaartekracht. Je voelt je dan lichter.

Veerkracht (F_{veer} )
De veerkracht (
De formule voor veerkracht is:
Hierin staat:
•
•C voor de veerconstante in Newton per meter (N/m). De veerconstante geeft aan hoe stug of slap een veer is. Een grote veerconstante betekent een stuggere veer (er is veel kracht nodig om deze uit te rekken), terwijl een kleine veerconstante duidt op een slappere veer (er is weinig kracht nodig).
•u voor de uitrekking (of de indrukking) van de veer in meter (m).
Het verband tussen de veerkracht en de uitrekking is recht evenredig. Dit betekent dat als je de uitrekking van een veer twee keer zo groot maakt, de veerkracht ook twee keer zo groot wordt.
Dit verband kun je goed zien in een grafiek:

•Bij de blauwe lijn, als de uitrekking 1 meter (u = 1 m) is, is de veerkracht 200 Newton (
•Bij de rode lijn, als de uitrekking 1 meter (u = 1 m) is, is de veerkracht slechts 50 Newton (
Je ziet hier ook het recht evenredige verband: als je bij de rode lijn kijkt naar een uitrekking van 2 meter, heb je een veerkracht van 100 Newton nodig (2 keer zoveel als bij 1 meter uitrekking).
Weerstandskrachten (F_w )
Weerstandskrachten zijn krachten die de beweging van een voorwerp tegenwerken. Ze zorgen ervoor dat voorwerpen vertragen of extra kracht nodig hebben om in beweging te komen of te blijven. Er zijn verschillende soorten weerstandskrachten.
Schuifwrijvingskracht
De schuifwrijvingskracht (
•De schuifwrijvingskracht werkt altijd evenwijdig aan het contactvlak en tegen de bewegingsrichting in.
•Deze kracht kan variëren van nul Newton tot een maximale waarde, de maximale schuifwrijvingskracht.
•Zolang de kracht die een voorwerp probeert te bewegen (bijvoorbeeld een component van de zwaartekracht langs de helling of een duwkracht) kleiner of gelijk is aan de maximale schuifwrijvingskracht, zal het voorwerp niet bewegen. De wrijvingskracht past zich dan aan de duwkracht aan.
•Pas als de bewegende kracht groter is dan de maximale schuifwrijvingskracht, komt het voorwerp in beweging. Daarna blijft de schuifwrijvingskracht constant op zijn maximale waarde.
De grootte van de schuifwrijvingskracht hangt af van:
•De ruwheid van de contactoppervlakken. Ruwere oppervlakken geven meer wrijving.
•De kracht waarmee het voorwerp op het vlak drukt (dit is gelijk aan de normaalkracht). Hoe zwaarder het voorwerp, hoe moeilijker het schuift.

Rolweerstandskracht
De rolweerstandskracht (
Kenmerken van rolweerstand:
•Rolweerstandskrachten zijn vrijwel altijd kleiner dan schuifwrijvingskrachten. Daarom is rollen ook veel gemakkelijker dan schuiven, en zetten we wieltjes onder een koffer.
•De rolweerstandskracht neemt toe bij hobbelige oppervlakken.
•De rolweerstandskracht neemt toe bij zwaardere voorwerpen (een grotere kracht op de ondergrond).
•De rolweerstandskracht is nauwelijks afhankelijk van de snelheid.
Luchtweerstandskracht
De luchtweerstandskracht (
De luchtweerstandskracht is afhankelijk van vier factoren:
1.Snelheid (
1.Als je twee keer zo snel gaat, wordt de luchtweerstand
2.Als je drie keer zo snel gaat, wordt de luchtweerstand
2.Luchtdichtheid (
3.Frontaal oppervlak (
4.Stroomlijn (
Overige krachten
Naast de eerder besproken krachten zijn er nog enkele andere krachten die je in natuurkunde-opgaven kunt tegenkomen. Hoewel er geen specifieke formules aan deze krachten gekoppeld worden in dit artikel, is het belangrijk te weten dat ze bestaan:
•Spankracht (
•Spierkracht (
•Motorkracht (




