Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een levensloop is en hoe deze jouw financiële situatie beïnvloedt.
•Je kunt het verschil benoemen tussen voorraadgrootheden en stroomgrootheden en voorbeelden hiervan geven.
•Je kunt analyseren hoe de behoefte aan geld zich in de loop der tijd ontwikkelt.
•Je kunt het belang van menselijk kapitaal beschrijven en uitleggen hoe investeren hierin je verdiencapaciteit vergroot.
De levensloop: fasen en financiën
Jouw financiële situatie verandert gedurende je leven. Dit noemen we de levensloop: de opeenvolging van levensfasen, elk met zijn eigen financiële situatie. In verschillende fasen veranderen je inkomsten, uitgaven en schulden.
Vaak loopt je behoefte aan geld niet gelijk met je inkomsten. In sommige fasen heb je veel geld nodig terwijl je nog weinig verdient, bijvoorbeeld tijdens je studie. In andere fasen heb je juist meer inkomen. De fase waarin je zit en je persoonlijke omstandigheden bepalen dus je financiële situatie.
Behoefte aan geld
De behoefte aan geld verschilt per persoon en per levensfase. De vraag “wil je nu een tientje of volgend jaar €100?” laat dat goed zien.
Voor iemand met weinig geld kan €10 nu het verschil maken tussen wel of geen eten. Voor iemand met voldoende geld is €100 volgend jaar aantrekkelijker. De urgentie van de behoefte hangt dus af van je omstandigheden en je levensfase.
Investeren: slimme keuzes voor de lange termijn
Wanneer je veel geld nodig hebt in een fase waarin je weinig verdient, kun je lenen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer je gaat studeren. Je hebt uitgaven voor collegegeld, boeken, een laptop of huisvesting. Door een studielening stijgen je schulden.
Die schuld kan echter ook een investering zijn. Je investeert namelijk in jezelf.
Menselijk kapitaal: jouw toekomst
Door te studeren ontwikkel je kennis en vaardigheden en behaal je een diploma. Hierdoor stijgt je menselijk kapitaal: de waarde van jouw kennis en vaardigheden.
Een stijging van het menselijk kapitaal vergroot op lange termijn je verdiencapaciteit. Dat betekent dat je de mogelijkheid hebt om meer inkomen uit arbeid te verdienen. Of een studieschuld slim is, hangt dus af van waarvoor je het geld gebruikt. Gebruik je het om te investeren in je opleiding, dan vergroot je je verdiencapaciteit. Gebruik je het vooral om te consumeren, dan levert het minder op.
Investeringen door bedrijven
Ook bedrijven investeren. Zij maken extra uitgaven en gaan vaak leningen aan, waardoor hun schulden stijgen.
Met die investeringen kopen of ontwikkelen bedrijven kapitaalgoederen, zoals machines. Kapitaalgoederen zijn productiemiddelen die helpen bij het produceren van andere goederen en diensten.
Door te investeren kunnen bedrijven hun productiecapaciteit vergroten (het maximale wat een bedrijf in een bepaalde tijd kan produceren) of hun arbeidsproductiviteit verhogen. Daardoor kunnen zij meer produceren.
Investeringen door de overheid
De overheid investeert bijvoorbeeld in infrastructuur, zoals wegen, bruggen, sporen, havens en het elektriciteitsnet. Door deze extra uitgaven stijgt de staatsschuld.
Een betere infrastructuur kan zorgen voor een sterkere internationale concurrentiepositie. Dat is het vermogen van een land om goederen en diensten te verhandelen op de wereldmarkt in vergelijking met andere landen. Goede infrastructuur maakt handel en distributie makkelijker.
Voorraad- en stroomgrootheden: meten op verschillende manieren
Een voorraadgrootheid is een financiële grootheid die je meet op een bepaald moment. Het is een momentopname van je financiële situatie.
Voorbeelden zijn:
•de hoogte van je bezittingen
•de hoogte van je schulden
•je vermogen (bezittingen min schulden)
Stroomgrootheden: meten over tijd
Een stroomgrootheid is een financiële grootheid die je meet over een bepaalde periode. Het gaat om veranderingen per maand, kwartaal of jaar.
Voorbeelden zijn:
•je inkomen
•je uitgaven
•je primair inkomen (de beloning voor het beschikbaar stellen van de productiefactoren natuur, arbeid, kapitaal of ondernemerschap)
Het verband tussen voorraad en stroom
Voorraad- en stroomgrootheden hangen met elkaar samen. Als je inkomen (een stroomgrootheid) stijgt, kan je vermogen (een voorraadgrootheid) toenemen.
De hoogte van je bezittingen en schulden op een bepaald moment wordt dus bepaald door je inkomsten en uitgaven over een bepaalde periode.