Een onhoudbare staatsschuld betekent dat een land zoveel schulden heeft dat het deze op de lange termijn niet meer kan terugbetalen of financieren. Om dit te voorkomen, verplicht het Stabiliteits- en Groeipact van de Europese Unie (EU) landen om hun staatsschuld onder de 60% van het Bruto Binnenlands Product (BBP) te houden.
De belangrijkste gevolgen van een onhoudbare staatsschuld zijn:
- Hogere rentelasten: De overheid moet steeds meer rente betalen over de opgebouwde schulden. Dit geld kan dan niet worden besteed aan andere belangrijke zaken, zoals zorg, onderwijs of infrastructuur.
- Last voor toekomstige generaties: De schulden van nu moeten uiteindelijk worden terugbetaald, wat betekent dat toekomstige generaties hiervoor opdraaien.
- Verlies van vertrouwen: Wanneer investeerders geen vertrouwen meer hebben in de financiële stabiliteit van een land, wordt het voor de overheid moeilijk of zelfs onmogelijk om nog geld te lenen. Dit kan uiteindelijk leiden tot een nationaal faillissement, wat ernstige economische en sociale problemen veroorzaakt.
Het is belangrijk om het verschil te kennen tussen een begrotingstekort en de overheidsschuld:
- Begrotingstekort: Dit is het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven van de overheid in één specifiek jaar. Als de overheid in een jaar meer uitgeeft dan er binnenkomt, is er sprake van een begrotingstekort. Dit is een stroomgrootheid, omdat het de verandering over een bepaalde periode (één jaar) weergeeft.
- Overheidsschuld (of staatsschuld): Dit is het totale bedrag aan schulden dat de overheid in de loop der jaren heeft opgebouwd. Elk jaar dat er een begrotingstekort is, wordt er geld geleend en wordt de overheidsschuld groter. Als er een begrotingsoverschot is, kan de overheid een deel van de schuld aflossen. Dit is een voorraadgrootheid, omdat het de totale hoeveelheid schuld op een specifiek moment meet.
Dus, een aanhoudend begrotingstekort draagt bij aan de groei van de overheidsschuld, die op zijn beurt onhoudbaar kan worden als deze te hoog oploopt.