Tot welke sector behoort elk van deze organisaties?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat de structurele kant van de economie is en hoe deze wordt ingedeeld in vier sectoren
•Je kunt beschrijven wat op lange termijn de economische groei bepaalt
•Je kunt de productiefunctie uitleggen en de formule van de potentiële productie toepassen
•Je kunt het verschil uitleggen tussen constante meeropbrengsten en afnemende meeropbrengsten aan de hand van een voorbeeld
•Je kunt benoemen welke factoren de totale factor productiviteit beïnvloeden
•Je kunt uitleggen wat structuurbeleid is en voorbeelden geven van maatregelen
De structurele kant van de economie
De structurele kant van de economie gaat over hoe een economie is opgebouwd. We delen de economie in vier sectoren in:
•Primaire sector: het winnen van grondstoffen uit de natuur, zoals landbouw en visserij
•Secundaire sector: het bewerken van grondstoffen tot eindproducten, bijvoorbeeld in fabrieken
•Tertiaire sector: commerciële dienstverlening met winstdoel, zoals een taxichauffeur of kapper
•Quartaire sector: niet-commerciële dienstverlening zonder winstdoel, zoals politie, brandweer en onderwijs
Let op: soms kan een dienst toch commercieel zijn, zoals een privéschool. Dan valt deze onder de tertiaire sector. De vraag is steeds: willen ze winst maken of niet?
De verdeling van deze sectoren samen noemen we de structuur van de economie. Verandert het belang van sectoren ten opzichte van elkaar, dan spreken we van structuurontwikkeling.
Structuur en welvaart
Welvaartsverschillen tussen landen zijn deels te verklaren door verschillen in structuurontwikkeling. Minder ontwikkelde landen hebben vaak een groot aandeel van de primaire sector. Meer ontwikkelde landen hebben relatief veel dienstverlening.
Economische groei op lange termijn
Op lange termijn wordt economische groei bepaald door de groei van productiefactoren en technologie. Het gaat dus om de aanbodkant van de economie.
De potentiële productie\left(y^{*}\right)\left(y*^{*}\right)\left(y*\right)\left(y*\right)hangt af van:
1.Arbeid\left(L\right)\left(\right)\left(K\right)\left(K\right)\left(\right)(van het Engelse labour)
2.Kapitaal\left(K\right)\left(K\right)
3.Totale factor productiviteit\left(A\right)\left(A\right)
De productiefunctie ziet er als volgt uit:
y^{*}=Af(K,L)y*^{*}=Af(K,L)y*=Af(K,L)
Soorten kapitaal
Kapitaal bestaat uit verschillende onderdelen:
•Economisch kapitaal: technologie, innovaties, infrastructuur
•Menselijk kapitaal: opleiding en ervaring van werknemers
•Natuurlijk kapitaal: klimaat, ligging
•Maatschappelijke factoren: instituties, rechtspraak, wetten
Al deze vormen beïnvloeden de productiecapaciteit van een land.
Menselijk kapitaal en arbeidsproductiviteit
Menselijk kapitaal heeft te maken met opleiding, kennis, specialisatie, ervaring en gezondheid. Dit beïnvloedt de arbeidsproductiviteit: de productie per werknemer.
Hoe beter de scholing en gezondheid, hoe hoger de arbeidsproductiviteit en dus het productieniveau.
Kapitaal en technologie
Ook kapitaal beïnvloedt de productie. Betere machines of hulpmiddelen zorgen ervoor dat werknemers meer kunnen produceren in dezelfde tijd.
Technologische kennis bepaalt:
•De kwaliteit van kapitaal
•De kwantiteit van kapitaal
Research and development (onderzoek en ontwikkeling) is nodig voor innovatie. Innovatie verhoogt de kwaliteit van kapitaal.
Totale factor productiviteit\left(A\right)\left(A\right)\left(\right)
De totale factor productiviteit stijgt door:
•Innovatie
•Research and development
•Learning by doing
•Onderwijs en onderzoek
•Handel
•Betere instituties
•Betere infrastructuur
•Een beter milieu
•Gunstige geografische ligging
•Politieke stabiliteit
Voorbeeld: een gunstige ligging met een goede haven zorgt voor efficiëntere handel en hogere productie.
Voorbeeld: het studentenhuis
Stel: je woont met tien studenten in een huis en jij organiseert de afwas. Je wilt zo efficiënt mogelijk werken. Dit voorbeeld gebruiken we om meeropbrengsten te begrijpen.
Constante meeropbrengsten
Bij constante meeropbrengsten levert elke extra arbeider evenveel extra productie op.
Rekenvoorbeeld:
•1 persoon: 5 borden
•2 personen: 10 borden (+5)
•3 personen: 15 borden (+5)
•4 personen: 20 borden (+5)
Elke extra persoon voegt 5 borden toe. De arbeidsproductiviteit blijft gelijk.

Afnemende meeropbrengsten
Bij afnemende meeropbrengsten neemt de extra productie per extra arbeider af.
Rekenvoorbeeld:
•1 persoon: 5 borden
•2 personen: 9 borden (+4)
•3 personen: 11 borden (+2)
•4 personen: 12 borden (+1)
Iedereen draagt nog wel bij, maar steeds minder. De arbeidsproductiviteit daalt.

Afnemende meeropbrengsten komen vaak voor. Dit geldt niet alleen voor arbeid, maar ook voor kapitaal. Eén vaatwasser verhoogt de productie sterk. Een tweede helpt minder. Een derde wordt misschien nauwelijks gebruikt.
Potentiële productie verhogen
Er zijn drie manieren om\left(y^{*}\right)\left(y*^{*}\right)\left(y*\right)\left(y*\right)\left(0y*\right)\left(y*\right)te verhogen:
•Verhoging van\left(A\right)\left(A\right)(totale factor productiviteit)
•Verhoging van\left(L\right)\left(L\right)(arbeid)
•Verhoging van\left(K\right)\left(K\right)(kapitaal)
In het studentenhuis:
•\left(A\right)\left(A\right)verhogen: betere taakverdeling, efficiëntere methode
•\left(L\right)\left(L\right)verhogen: meer huisgenoten inzetten
•\left(K\right)\left(K\right)verhogen: een vaatwasser kopen
Let op: bij extra arbeid en extra kapitaal is vaak sprake van afnemende meeropbrengsten.
Structuurbeleid
Wanneer de overheid zich richt op het verhogen van de potentiële productie via\left(A\right)\left(A\right), \left(K\right)\left(K\right)of\left(L\right)\left(L\right), spreken we van structuurbeleid.
Voorbeelden:
•Investeren in infrastructuur →\left(K\right)\left(K\right)stijgt
•Subsidiëren van kinderopvang →\left(L\right)\left(L\right)\left(\right)stijgt
•Aanpakken van het lerarentekort →\left(L\right)\left(L\right)stijgt
Structuurbeleid richt zich dus op de aanbodzijde van de economie en op langetermijngroei.












