Het woordje 'to' voor een werkwoord geeft de infinitief aan. Dit is de basisvorm van het werkwoord, zoals je die in het woordenboek vindt. Je gebruikt deze vorm vaak:
- Als het werkwoord niet direct bij een onderwerp hoort, bijvoorbeeld na een ander werkwoord.
- Voorbeeld: "I want to go" (Ik wil gaan). Hier hoort 'to go' bij 'want', niet direct bij 'I'.
- Om een doel aan te geven.
- Voorbeeld: "I study to learn" (Ik studeer om te leren). Hier geeft 'to learn' het doel van het studeren aan.
Zodra je een werkwoord in een zin gebruikt en het hoort bij een onderwerp (zoals 'ik', 'jij', 'hij/zij/het', 'wij', 'jullie', 'zij'), dan vervoeg je het werkwoord en valt de 'to' meestal weg. Het werkwoord past zich dan aan het onderwerp aan.
Voorbeelden van vervoeging:
- To be: De infinitief is 'to be'.
- "Ik ben" wordt "I am".
- "Zij is" wordt "She is".
- "Jullie zijn" wordt "You are".
De 'to' verdwijnt dus zodra je het werkwoord vervoegt.
- To have: De infinitief is 'to have'.
- "Ik heb" wordt "I have".
- "Hij heeft" wordt "He has".
Ook hier zie je dat de 'to' wegvalt bij de vervoeging.
Een ander voorbeeld is de present continuous, die je gebruikt voor acties die nu gebeuren. Hier gebruik je ook een vervoeging van 'to be' (am/is/are) gevolgd door een werkwoord met '-ing', zonder 'to' ervoor.
- Voorbeeld: "They are walking to school right now" (Zij zijn nu naar school aan het lopen).
Kortom: 'to' gebruik je bij de basisvorm van het werkwoord. Zodra je het werkwoord in een zin plaatst en het aan een onderwerp koppelt, vervoeg je het en laat je de 'to' meestal weg.