Het expressionisme is een kunststroming die aan het begin van de 20e eeuw ontstond, voornamelijk in Duitsland. In tegenstelling tot eerdere stromingen die de werkelijkheid objectief probeerden weer te geven, richtte het expressionisme zich op de innerlijke wereld en de emoties van de kunstenaar. De kunstenaar drukte zijn gevoelens en subjectieve ervaringen uit, vaak met een vervormde weergave van de werkelijkheid.
Belangrijke kenmerken van het expressionisme zijn:
- Nadruk op emotie en subjectiviteit: De kunstenaar wilde zijn innerlijke gevoelens en gemoedstoestand uitdrukken, vaak als reactie op de maatschappelijke onrust en vervreemding van die tijd.
- Vervorming van de werkelijkheid: Om emoties te benadrukken, werden vormen, kleuren en perspectieven vaak opzettelijk vervormd of overdreven. De werkelijkheid werd niet realistisch weergegeven, maar gefilterd door de subjectieve ervaring van de kunstenaar.
- Felle, onnatuurlijke kleuren: Kleuren werden niet gebruikt om de werkelijkheid na te bootsen, maar om emoties en symboliek over te brengen. Vaak werden contrasterende en ongemengde kleuren gebruikt.
- Grove penseelstreken en krachtige lijnen: De techniek was vaak ruw en direct, wat bijdroeg aan de expressieve kracht van het werk.
- Thema's van angst, eenzaamheid en kritiek: Veel expressionistische werken behandelen existentiële thema's, maatschappelijke kritiek, angst, vervreemding en de donkere kanten van het menselijk bestaan.
Bekende expressionistische kunstenaars zijn onder andere Ernst Ludwig Kirchner, Franz Marc, Wassily Kandinsky en Egon Schiele. In de literatuur zie je het expressionisme terug in werken die zich richten op de innerlijke belevingswereld en vaak een kritische of pessimistische toon hebben.