De verdeling van de beroepsbevolking over de verschillende economische sectoren geeft een goed beeld van de ontwikkelingsgraad van een land. Over het algemeen geldt het volgende:
- Periferielanden (minst ontwikkeld): In deze landen werkt het grootste deel van de bevolking in de primaire sector. Dit omvat activiteiten zoals landbouw, mijnbouw en visserij, waarbij grondstoffen direct uit de natuur worden gehaald. Deze landen zijn vaak arm en sterk afhankelijk van de export van grondstoffen.
- Semi-periferielanden (in ontwikkeling): Hier werkt een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking in de secundaire sector. Dit is de industrie, waar grondstoffen worden verwerkt tot eindproducten. Deze landen produceren vaak goederen voor centrumlanden en hebben relatief lage lonen.
- Centrumlanden (meest ontwikkeld): In deze welvarende landen werkt de meerderheid van de mensen in de tertiaire sector, de dienstensector. Dit zijn commerciële diensten zoals winkels, horeca, banken en kappers. Centrumlanden hebben hoge lonen en richten zich op het ontwerpen, verkopen en leveren van complexe diensten. Een voorbeeld hiervan is Nederland, waar ongeveer 75% van de bevolking in de tertiaire sector werkt.
Veranderingen bij snelle ontwikkeling:
Wanneer een semi-periferieland zich snel ontwikkelt, vinden er belangrijke veranderingen plaats:
- Verschuiving van de beroepsbevolking: Er zullen steeds meer mensen werk vinden in de tertiaire (dienstensector), wat een teken is van groeiende welvaart en een complexere economie.
- Van arbeidsintensief naar kapitaalintensief: De productiemethoden veranderen. Wat voorheen veel handarbeid vereiste (arbeidsintensief), wordt steeds vaker gedaan met machines en technologie (kapitaalintensief). Dit leidt tot hogere efficiëntie en productiviteit.
- Belangrijkere rol in de wereldeconomie: Landen in de semi-periferie, zoals de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika), ontwikkelen zich steeds meer richting centrumlanden. Door hun groeiende industrie en toenemende focus op diensten krijgen ze een grotere invloed op de wereldhandel en economische besluitvorming. Ze kunnen steeds meer voor zichzelf produceren in plaats van alleen voor centrumlanden. Dit proces van verschuivingen in de internationale arbeidsverdeling en de opkomst van nieuwe economische machten wordt ook wel de 'global shift' genoemd.