Enzymen krijgen meestal hun naam door de naam van het substraat (de stof waar ze op werken) te nemen en daar het achtervoegsel -ase achter te plakken. Het achtervoegsel '-ase' geeft aan dat het een enzym is, en enzymen zijn altijd eiwitten. Een voorbeeld hiervan is het enzym ATPase, dat werkt op het substraat ATP.
Veel enzymatische processen zijn evenwichtsreacties. Dit betekent dat de reactie twee kanten op kan verlopen: beginstoffen kunnen veranderen in eindstoffen, en eindstoffen kunnen ook weer terug veranderen in beginstoffen. In een reactievergelijking wordt dit weergegeven met een dubbele pijl (⇌).
Het belangrijkste kenmerk van een evenwichtsreactie is dat, zodra het evenwicht is bereikt, de concentraties van de beginstoffen en de eindstoffen hetzelfde blijven. Dit is een dynamisch evenwicht, wat betekent dat er nog steeds omzetting plaatsvindt in beide richtingen, maar met gelijke snelheden.
Het voordeel van zo'n dynamisch evenwicht in het lichaam is dat het systeem heel flexibel is en gereguleerd kan worden. Het lichaam kan snel schakelen en zich aanpassen aan veranderende behoeften door de balans van de reactie te verschuiven. Als er bijvoorbeeld meer van een bepaalde stof nodig is, kan de reactie sneller die kant op gaan om meer van die stof te maken. Dit is anders dan een onomkeerbare reactie, die maar één kant op kan en niet terug kan naar de beginstoffen.