Hoe vervoeg ik faire, aller, avoir en prendre in de passé composé?

Hoe vervoeg ik faire, aller, avoir en prendre in de passé composé?

FransFrans

Hoe vervoeg ik faire, aller, avoir en prendre in de passé composé?

Hoe vervoeg ik faire, aller, avoir en prendre in de passé composé?

Antwoord van Ainstein

De passé composé is de voltooid verleden tijd in het Frans. Deze tijd wordt opgebouwd uit drie delen: het persoonlijk voornaamwoord, het hulpwerkwoord (avoir of être) en het voltooid deelwoord (le participe passé).

Hieronder vind je de vervoegingen van de werkwoorden 'faire', 'aller', 'avoir' en 'prendre' in de passé composé.

Faire (doen/maken)

Dit werkwoord wordt vervoegd met het hulpwerkwoord 'avoir' (hebben). Het voltooid deelwoord van 'faire' is 'fait'.

  • J'ai fait (ik heb gedaan/gemaakt)
  • Tu as fait (jij hebt gedaan/gemaakt)
  • Il/Elle/On a fait (hij/zij/men heeft gedaan/gemaakt)
  • Nous avons fait (wij hebben gedaan/gemaakt)
  • Vous avez fait (jullie hebben gedaan/gemaakt)
  • Ils/Elles ont fait (zij hebben gedaan/gemaakt)

Aller (gaan)

Dit werkwoord wordt vervoegd met het hulpwerkwoord 'être' (zijn). Het voltooid deelwoord van 'aller' is 'allé'. Bij werkwoorden die met 'être' worden vervoegd, past het voltooid deelwoord zich aan het onderwerp aan in geslacht en getal.

  • Je suis allé(e) (ik ben gegaan)
  • Tu es allé(e) (jij bent gegaan)
  • Il est allé (hij is gegaan)
  • Elle est allée (zij is gegaan)
  • On est allé(e) (men is gegaan, of wij zijn gegaan)
  • Nous sommes allé(e)s (wij zijn gegaan)
  • Vous êtes allé(e)s (jullie zijn gegaan/u bent gegaan)
  • Ils sont allés (zij zijn gegaan, mannelijk meervoud)
  • Elles sont allées (zij zijn gegaan, vrouwelijk meervoud)

Avoir (hebben)

Dit werkwoord wordt vervoegd met het hulpwerkwoord 'avoir' (hebben). Het voltooid deelwoord van 'avoir' is 'eu'.

  • J'ai eu (ik heb gehad)
  • Tu as eu (jij hebt gehad)
  • Il/Elle/On a eu (hij/zij/men heeft gehad)
  • Nous avons eu (wij hebben gehad)
  • Vous avez eu (jullie hebben gehad)
  • Ils/Elles ont eu (zij hebben gehad)

Prendre (nemen)

Dit werkwoord wordt vervoegd met het hulpwerkwoord 'avoir' (hebben). Het voltooid deelwoord van 'prendre' is 'pris'.

  • J'ai pris (ik heb genomen)
  • Tu as pris (jij hebt genomen)
  • Il/Elle/On a pris (hij/zij/men heeft genomen)
  • Nous avons pris (wij hebben genomen)
  • Vous avez pris (jullie hebben genomen)
  • Ils/Elles ont pris (zij hebben genomen)

Belangrijk verschil: 'allé' versus 'été'

Het voltooid deelwoord 'été' hoort bij het werkwoord 'être' (zijn). Als je 'geweest' wilt zeggen, gebruik je 'été'. Bijvoorbeeld: J'ai été (ik ben geweest). Let op: hoewel het in het Nederlands 'ik ben geweest' is, gebruik je in het Frans 'avoir' als hulpwerkwoord bij 'être'.

Bij 'aller' (gaan) is het voltooid deelwoord 'allé'. Dit werkwoord wordt wel met 'être' vervoegd. Dus je zegt bijvoorbeeld: Je suis allé(e) (ik ben gegaan).

Het verschil zit dus in het werkwoord zelf: 'être' (zijn) heeft als voltooid deelwoord 'été' en gebruikt 'avoir' als hulpwerkwoord, terwijl 'aller' (gaan) als voltooid deelwoord 'allé' heeft en 'être' als hulpwerkwoord gebruikt.

Wil je betere cijfers halen?
  • Extra uitleg en oefenen voor elk boek op school
  • Stel vragen en krijg direct antwoord
  • Video's, samenvattingen, oefenen, AI-tutor, woordjes leren en examentraining