Om een heel getal te berekenen wanneer een deel (een breuk) ervan bekend is, volg je meestal twee stappen. Dit is handig als je bijvoorbeeld weet dat 3/5 deel van een getal 60 is en je wilt weten wat het hele getal is.
Stap 1: Bereken wat 1/X deel is.
Deel het bekende deel door de teller van de breuk. Dit geeft je de waarde van één 'stukje' van het getal.
- In het voorbeeld "3/5 deel van een getal is 60", is de teller 3.
- Je deelt 60 door 3: 60÷3=20.
- Dit betekent dat 1/5 deel van het getal 20 is.
Stap 2: Bereken het hele getal.
Vermenigvuldig de waarde van 1/X deel (uit Stap 1) met de noemer van de breuk. Dit geeft je het volledige getal.
- In het voorbeeld is de noemer 5.
- Je vermenigvuldigt 20 met 5: 20×5=100.
- Het hele getal is dus 100.
Samengevat voor het voorbeeld:
Als 3/5 deel van een getal 60 is, dan is het hele getal 100.
Een ander voorbeeld:
Als 1/5 deel van een getal 60 is, dan is 1/5 deel al bekend. Je hoeft dan alleen Stap 2 uit te voeren:
- Vermenigvuldig 60 met de noemer 5: 60×5=300.
- Het hele getal is dus 300.
Het omgekeerde: Een deel van een getal berekenen
Als je juist een deel van een getal wilt berekenen (bijvoorbeeld 1/5 deel van 60), dan kun je dit op twee manieren doen:
- Delen: Deel het hele getal door de noemer van de breuk.
- 60÷5=12.
- Vermenigvuldigen: Vermenigvuldig het hele getal met de breuk. Hierbij vermenigvuldig je de teller met het hele getal en deel je dit door de noemer.
- 51×60=51×60=560=12.
Beide methoden geven hetzelfde resultaat.