Om de parameters a,b,c en d van een sinusfunctie in de vorm y=a+bsin(c(x−d)) te berekenen, heb je specifieke numerieke gegevens nodig over de grafiek. Hieronder vind je de berekeningen voor elke parameter, gevolgd door een voorbeeld.
-
De evenwichtsstand (a):
De evenwichtsstand is de horizontale lijn waar de grafiek omheen slingert. Deze ligt precies in het midden tussen het hoogste en het laagste punt van de grafiek.
a=2Maximum+Minimum
-
De amplitude (b):
De amplitude is de maximale uitwijking vanuit de evenwichtsstand. Het is de halve afstand tussen het maximum en het minimum.
b=2Maximum−Minimum
-
De factor voor de periode (c):
Deze factor bepaalt de periode van de sinusoïde. De periode is de lengte van één complete golf. De relatie tussen c en de periode is:
c=periode2π
-
Het beginpunt (d):
Voor een standaard sinusgrafiek is dit de x-waarde waar de grafiek voor het eerst stijgend door de evenwichtsstand gaat. Dit wordt ook wel de faseverschuiving genoemd.
Voorbeeld van berekening:
Stel, we krijgen de volgende gegevens over een sinusoïde:
- Het maximum van de functie is 8.
- Het minimum van de functie is 2.
- De periode van de sinusoïde is 3π.
- De grafiek gaat voor het eerst stijgend door de evenwichtsstand bij x=π.
Nu gaan we de waarden voor a,b,c en d berekenen:
-
Berekening van a (de evenwichtsstand):
a=2Maximum+Minimum
a=28+2=210=5
-
Berekening van b (de amplitude):
b=2Maximum−Minimum
b=28−2=26=3
-
Berekening van c (de factor voor de periode):
c=periode2π
c=3π2π=32
-
Berekening van d (het beginpunt):
De x-waarde waar de grafiek voor het eerst stijgend door de evenwichtsstand gaat, is direct gegeven.
d=π
Als we al deze waarden invullen in de algemene formule y=a+bsin(c(x−d)), krijgen we de specifieke formule voor deze sinusoïde:
y=5+3sin(32(x−π))