In een speeltuin staat een kabelbaan.

De kabel is op een hoogte van$3{,}75 \mathrm{~m}vastgemaakt bij de punten$Aen$B.
Over de kabel beweegt katrol$C, waaraan het stoeltje$Dis vastgemaakt met een kabel van 1,65 m. In het assenstelsel zie je een schematisch zijaanzicht van de kabelbaan, waarbij katrol$Cin het midden hangt.

De coördinaten van de punten$A, Ben$Cstaan in het assenstelsel. Hierin is$hde hoogte en a de horizontale afstand vanaf punt$Abeide in meters.




