In de metaalindustrie worden met een boormachine gaten in harde materialen geboord. Zie de foto.

De levensduur van een boor is afhankelijk van de (snij)snelheid: dit is de snelheid waarmee de buitenkant van de boor door het metaal snijdt. Bij een hoge snelheid zal de boor snel slijten waardoor de levensduur kort is.
Rond 1900 stelde F.W. Taylor het volgende verband vast:
\,\,\,\,V\cdot T^{m}=C\,\,\,V\cdot T^{m}=C\,\,\,V\cdot T^{m}=C\,\,\,V\cdot T^{m}=C\,\,V\cdot T^{m}=C\,\,V\cdot T^{m}=C\,\,V\cdot T^{m}=C\,V\cdot T^{m}=C\,V\cdot T^{m}=C\,V\cdot T^{m}=CV\cdot T^{m}=CV\cdot T^{m}=CV \cdot T^{m}=C
Hierin is:
•$Vde (snij)snelheid van de boor (in meter per minuut (m/min)) ($Vligt vaak tussen de 5 en$150 \mathrm{~m} / \mathrm{min}),
•$Tde levensduur (in minuten),
•$meen constante die afhangt van het materiaal waarvan de boor is gemaakt,
•$Ceen constante die afhangt van het materiaal waarin wordt geboord.

