Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat het lijdend voorwerp is.
•Je kunt het lijdend voorwerp herkennen en benoemen.
Wat is het lijdend voorwerp?
Het lijdend voorwerp is degene die of datgene wat (het kan zowel een persoon als een ding zijn) het werkwoordelijk gezegde ondergaat. Wat dit betekent? Het lijdend voorwerp heeft geen invloed op wat er in de zin gebeurt; het is een soort toeschouwer. Het komt alleen voor bij werkwoorden die een actie uitvoeren.
Hoe vind je het lijdend voorwerp in een zin?
Zorg dat je eerst de volgende vier stappen van zinsontleding hebt doorlopen:
1.Bepaal de persoonsvorm.
2.Bepaal de zinsdelen.
3.Bepaal het onderwerp.
4.Bepaal het gezegde
Vervolgens ga je op zoek naar het lijdend voorwerp.
Om het lijdend voorwerp te vinden, stel jezelf de vraag: wie of wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp.
Waarom specifiek het werkwoordelijk gezegde? Omdat in een zin met een naamwoordelijk gezegde nooit een lijdend voorwerp voorkomt. Dus wanneer je zo'n zin tegenkomt, kun je deze stap meteen overslaan.
Voorbeeldzinnen:
Klaas stopte het harde schot.
1.De persoonsvorm is stopte
2.De zinsdelen zien er als volgt uit: Klaas | stopte | het harde schot
3.Het onderwerp is Klaas (Wie stopte? --> Klaas)
4.Het gezegde is stopte
Wie of wat stopte klaas? --> het harde schot = lijdend voorwerp
De kat vangt muizen.
1.De persoonsvorm is vangt
2.De zinsdelen zien er als volgt uit: De kat | vangt | muizen
3.Het onderwerp is De kat (Wie vangt? --> De kat)
4.Het gezegde is vangt
Wie of wat vangt de kat? --> muizen = lijdend voorwerp
Maureen is grappig.
1.De persoonsvorm is 'is'
2.De zinsdelen zien er als volgt uit: Maureen | is | grappig
3.Het onderwerp is Maureen (Wie is? --> Maureen)
4.Het gezegde is 'is grappig'. Grappig is hierbij het naamwoordelijk deel. We spreken dus over een naamwoordelijk gezegde.
Aangezien er sprake is van een naamwoordelijk gezegde, hoeven we niet meer op zoek te gaan naar een lijdend voorwerp. Bij een naamwoordelijk gezegde heb je namelijk nooit een lijdend voorwerp.
Enkele tips en tricks
•Niet elke zin heeft een lijdend voorwerp
•Een zin met een naamwoordelijk gezegde heeft nooit een lijdend voorwerp
•Het lijdend voorwerp is altijd te vervangen door een persoonlijk voornaamwoord zoals mij, jou, hem, haar, het, ons, jullie of en