Het werkwoordelijk gezegde vertelt je wat het onderwerp van de zin doet. Je kunt het herkennen door jezelf af te vragen: "Doet het onderwerp iets?" Als het antwoord 'ja' is, dan heb je te maken met een werkwoordelijk gezegde.
Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden die in een zin staan. Dit is het tegenovergestelde van een naamwoordelijk gezegde, waarbij het onderwerp iets is (bijvoorbeeld: "De jongen is moe").
Om het werkwoordelijk gezegde te vinden, zoek je dus alle werkwoorden in de zin.
Voorbeelden:
- In de zin "De hond bijt het meisje" is "bijt" het werkwoordelijk gezegde, omdat dit het enige werkwoord is.
- In de zin "De jongen heeft gelopen" zijn "heeft" en "gelopen" samen het werkwoordelijk gezegde. "Heeft" is hier een hulpwerkwoord en "gelopen" is het hoofdwerkwoord.
- In de zin "Klaas heeft in een andere vijver gevist" zijn "heeft" en "gevist" samen het werkwoordelijk gezegde.
- In de zin "Klaas zou vader kunnen zijn" zijn "zou", "kunnen" en "zijn" samen het werkwoordelijk gezegde.
Het hoofdwerkwoord geeft de kernbetekenis van de zin weer. Als er meerdere werkwoorden zijn, staat het hoofdwerkwoord meestal achteraan in de zin. De andere werkwoorden die ervoor staan, zijn dan hulpwerkwoorden.