Hoe droeg de afname van handel en nijverheid bij aan de ontwikkeling van feodale verhoudingen in het bestuur?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen waardoor na de val van het West-Romeinse Rijk veel steden verdwenen
•Je kunt beschrijven hoe in West-Europa een hofstelsel met horigheid ontstond
•Je kunt uitleggen welke rol erfelijkheid speelde in het leenstelsel
Kenmerkende aspecten
•De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid
•Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur
Val West-Romeinse Rijk (476)
Het West-Romeinse Rijk viel in 476 uiteen in verschillende Germaanse koninkrijkjes. Handel en nijverheid waren in de laatste eeuwen van het rijk al in verval geraakt door epidemieën, bevolkingskrimp en burgeroorlogen. Na 476 nam de onveiligheid verder toe. Wegen werden niet meer onderhouden of beschermd en het Romeinse leger viel weg. Daardoor werd reizen gevaarlijk en kwamen handel en nijverheid steeds meer stil te liggen.
Doordat er minder handel was, verdwenen veel steden of krompen zij sterk. Ambachtslieden hadden weinig klanten en er vonden minder transacties plaats. Ook de geldeconomie verdween grotendeels. Europa veranderde zo van een agrarisch-urbane samenleving naar een agrarische samenleving.
Zelfvoorzienende agrarische cultuur
In plaats van een landbouw-stedelijke samenleving ontstond een zelfvoorzienende agrarische cultuur, ook wel een autarkische samenleving genoemd. Boeren en werkloze stedelingen zochten bescherming bij grootgrondbezitters met een groot aaneengesloten domein.
Veel van hen werden horigen: halfvrije boeren die niet zomaar hun land mochten verlaten. In ruil voor bescherming van de heer verrichtten zij herendiensten. Zij bewerkten niet alleen hun eigen akker, maar ook die van de heer. Daarnaast konden zij taken uitvoeren zoals graan malen in de molen, bier brouwen, hout hakken, vissen of jagen.
Het domein was meestal zelfvoorzienend (autarkie): vrijwel alles wat nodig was om te overleven, was er aanwezig. Het hele organisatiesysteem rond zo’n domein, met een heer, horigen en herendiensten, noemen we het hofstelsel. Het hofstelsel is dus een economisch systeem: het gaat over de manier waarop mensen in hun levensonderhoud voorzagen.

Ontstaan van feodale verhoudingen in bestuur
In de vroege middeleeuwen werd het steeds moeilijker om grote gebieden centraal te besturen. Door het verdwijnen van de geldeconomie was het lastig om een beroepsleger te betalen. Ook communicatie en controle waren moeilijker geworden door slecht onderhouden wegen.
Karel de Grote, koning en vanaf 800 keizer van het Frankische Rijk, bedacht daarom het leenstelsel (ook wel feodale stelsel genoemd). Dit was een politiek systeem dat bedoeld was om het bestuur van zijn rijk te organiseren.
In dit systeem leende een leenheer een gebied uit aan een leenman (vazal). De leenman zwoer trouw aan de leenheer. In ruil voor het gebied moest hij het bestuur, de rechtspraak en de verdediging regelen. Wanneer de leenheer daarom vroeg, moest hij ook soldaten leveren. Andersom beloofde de leenheer bescherming. Er was dus sprake van wederzijdse trouw en verplichtingen.
Na verloop van tijd begonnen leenmannen hun leen als erfelijk bezit te beschouwen. Zij gaven het gebied door aan hun oudste zoon. Dit was niet de oorspronkelijke bedoeling, omdat alleen degene die een eed van trouw had afgelegd officieel leenman was. Door deze erfelijkheid werden leenmannen steeds zelfstandiger en probeerden sommigen zich los te breken van hun leenheer.
Achterleenmannen ontstonden doordat leenmannen hun eigen leen weer verder uitleenden aan andere leenmannen. Zo konden leenmannen zelf ook als leenheer optreden. Dit zorgde voor verdere versnippering van het bestuur.













