Les over 2.3 Politieke cultuur in Europa (1813-1900)

Les over 2.3 Politieke cultuur in Europa (1813-1900)

Gemaakt door Ainstein
2.3 Politieke cultuur in Europa (1813-1900)
Deze video bestaat uit
  • Liberalisme en nationalisme in de 19e eeuwLiberalisme en nationalisme in de 19e eeuw
  • Socialisme, feminisme, conservatisme en confessionalisme in de 19e eeuwSocialisme, feminisme, conservatisme en confessionalisme in de 19e eeuw
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 28:50
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Politieke cultuur in Europa gedurende de periode 1813-1900

Leerdoelen

Je kunt het doel en de maatregelen van het Congres van Wenen uitleggen aan de hand van de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden.

Je kunt de betekenis van de Restauratie voor de politieke verhoudingen in Europa na 1815 verklaren.

Je kunt de uitgangspunten van het liberalisme en de gevolgen voor de Nederlandse politiek benoemen.

Je kunt de invloed van de grondwetsherziening van Thorbecke op de Nederlandse democratisering toelichten.

Je kunt drie oorzaken voor de opkomst van het nationalisme in de 19e eeuw en de gevolgen voor Europa beschrijven.

Je kunt de opkomst van het socialisme en de verschillen tussen de socialistische stromingen uitleggen.

Je kunt de discussies over de sociale kwestie in de 19e eeuw beschrijven.

Je kunt de maatschappelijke veranderingen waar feministen naar streefden uitleggen.

Je kunt beschrijven hoe conservatieve en confessionele partijen ontstonden als reactie op nieuwe politieke bewegingen.

Belangrijke jaartallen

1813: einde aan de heerschappij van Napoleon en grote politieke onrust in Europa.

1814-1815: het Congres van Wenen komt bijeen om een nieuwe vreedzame orde in Europa te scheppen.

1815: besluitvorming op het Congres van Wenen over de Restauratie en het machtsevenwicht.

1830: de Belgische Opstand leidt tot de afscheiding van België van het Koninkrijk der Nederlanden.

1848: invoering van de nieuwe liberale grondwet door Johan Rudolph Thorbecke in Nederland.

De Restauratie en het machtsevenwicht

In 1813 kwam een einde aan de heerschappij van Napoleon. Om een nieuwe, vreedzame orde te scheppen, kwamen de Europese landen bijeen op het Congres van Wenen (1814-1815). In 1815 besloot het congres dit op twee manieren te doen:

Herstel van de monarchie (De Restauratie): in veel landen werd de monarchie hersteld met speciale rechten voor de adel en de kerk, zoals vóór de Franse Revolutie. De macht lag tijdens deze Restauratie weer voornamelijk bij de vorstenhuizen en adel; eventuele grondwetten waren weinig democratisch.

Streven naar een machtsevenwicht: vorsten trokken nieuwe grenzen om een systeem van ongeveer even grote en machtige staten te maken. Het hoofddoel hiervan was het inperken van de macht van Frankrijk om een nieuwe revolutionaire dreiging te voorkomen.

Het Congres van Wenen in 1814-1815 waar Europese mogendheden bijeenkwamen voor een nieuw machtsevenwicht
Het Congres van Wenen in 1814-1815 waar Europese mogendheden bijeenkwamen voor een nieuw machtsevenwicht

Een belangrijk voorbeeld van dit streven naar machtsevenwicht was de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden. De Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werden samen met Luxemburg samengevoegd tot een sterke staat aan de noordgrens van Frankrijk. Het land werd een constitutionele monarchie waarin de vorst veel macht had en het parlement weinig. Niet alle maatregelen uit de Franse tijd werden teruggedraaid; zo bleef de Code Napoléon grotendeels intact. Ondanks de besluiten van het congres veranderde de 19e-eeuwse politieke cultuur ingrijpend. Door industrialisatie kwamen emancipatiebewegingen op die streefden naar juridische en sociale gelijkberechtiging voor onder meer arbeiders, vrouwen en religieuze groepen.

Het liberalisme

Als reactie op de Restauratie ontstond het liberalisme. Deze stroming kwam voort uit verlangen naar de hervormingen uit de Franse Revolutie en hechtte veel waarde aan de individuele vrijheid ten opzichte van de staat. Liberalen vonden dat de staat zich niet te veel mocht bemoeien met het leven van mensen en streefden naar gelijke burgerrechten (zoals persvrijheid, vrijheid van religie en vrijheid van vereniging) vastgelegd in een grondwet. Ze waren voorstander van censuskiesrecht, waarbij alleen mensen die een bepaalde hoeveelheid belasting betaalden mochten stemmen. Het liberalisme vond vooral aanhang onder de welgestelde burgerij. Het streven van de liberalen leidde in de eerste helft van de 19e eeuw tot politieke conflicten en revoluties:

Belgische Opstand (1830): burgers in het zuidelijke deel van het koninkrijk kwamen in opstand tegen de macht van de koning. Zij eisten dat de macht bij het parlement kwam te liggen en wilden gelijke burgerrechten. Dit leidde tot de afscheiding van België met een eigen liberale grondwet.

Grondwetsherziening van Thorbecke (1848): in Nederland overtuigden vooruitstrevende parlementariërs de koning van de noodzaak van hervorming. De liberaal Johan Rudolph Thorbecke stelde een nieuwe grondwet op. Hierin werden ministers verantwoordelijk voor het regeringsbeleid en werd het censuskiesrecht ingevoerd.

Portret van Johan Rudolph Thorbecke, grondlegger van de liberale grondwet van 1848
Portret van Johan Rudolph Thorbecke, grondlegger van de liberale grondwet van 1848

Het nationalisme

Het nationalisme ging ervan uit dat een volk of natie een eenheid vormde of moest vormen. De opkomst van het nationalisme had drie oorzaken:

1.De theorie van Rousseau over de algemene wil: inwoners werden niet meer gezien als onderdanen van een vorst, maar als leden van een natie die samen verantwoordelijk waren voor het landsbestuur.

2.De overheersing door Napoleon: het invoeren van dezelfde bestuurscultuur en wetten in heel Europa riep weerstand op en versterkte nationale gevoelens.

3.De Romantiek: deze culturele stroming verette zich tegen het puur verstandelijke denken van de Verlichting en bracht belangstelling voor geschiedenis, lokale tradities en de cultuur van het gewone volk.

Nationalisten streefden naar nationale staten (voor elk volk één staat). Dit leidde er enerzijds toe dat oude vorstendommen werden verenigd tot nieuwe staten (zoals Italië en Duitsland), en anderzijds dat staten met meerdere volken en cultuurzones uiteenvielen.

Het socialisme en de sociale kwestie

De industriële revolutie leidde tot het ontstaan van fabriekssteden waarin arbeiders onder slechte omstandigheden voor lage lonen werkten en in vervuilde krottenwijken woonden. De discussie over deze armoede en slechte werkomstandigheden wordt de sociale kwestie genoemd. Terwijl liberalen vonden dat de overheid niet moest ingrijpen in de economie, stelden socialisten dat burgerrechten alleen onvoldoende waren voor het proletariaat (mensen zonder bezit). De staat of gemeenschap moest de materiële omstandigheden van arbeiders actief verbeteren. Arbeiders organiseerden zich in vakbonden, politieke partijen en coöperaties. Binnen het socialisme ontstonden drie verschillende stromingen:

Communisme: volgens Karl Marx was een gewapende revolutie door arbeiders onvermijdelijk om een 'dictatuur van het proletariaat' te vestigen en de samenleving te hervormen zonder klassenverschillen en privébezit.

Anarchisme: wilde via een ingrijpende revolutie niet alleen een einde maken aan het kapitalisme, maar aan alle onvrijwillige machtsverhoudingen en de staat zelf.

Sociaaldemocratie: verwierp de revolutie en koos voor de parlementaire weg om via verkiezingen en sociale wetgeving de positie van arbeiders geleidelijk te verbeteren door het kiesrecht uit te breiden.

Symbool van het anarchisme met de leus No Gods No Masters
Symbool van het anarchisme met de leus No Gods No Masters

Het feminisme

In de 19e eeuw ontstond het burgerlijke gezinsideaal, waarin de man het hoofd van het gezin was en voor het inkomen zorgde, terwijl de vrouw zich bezig moest houden met het huishouden. Politiek werd gezien als een mannenzaak. In de tweede helft van de 19e eeuw kwam het feminisme op, een beweging die streed tegen de ongelijke positie van vrouwen. De aanhang bestond vooral uit welgestelde vrouwen en mannen uit de burgerij, zoals de Nederlandse arts Aletta Jacobs. De belangrijkste strijdpunten van het feminisme waren:

Het verkrijgen van vrouwenkiesrecht.

Het vergroten van ontwikkelingsmogelijkheden door middel van onderwijs en werk.

Aandacht voor maatschappelijke thema's zoals prostitutie, opvoeding en de aanpak van drankmisbruik.

Conservatisme en confessionalisme

Niet alle bewegingen waren gericht op hervorming. Het conservatisme wilde het bestaande vasthouden en zag de maatschappelijke orde als een door God gegeven feit. Conservatieven vonden dat verandering altijd moest aansluiten op bestaande tradities en dat traditioneel bestuur door een koning of keizer de beste garantie bood voor stabiliteit. Nauw verwant hieraan was het confessionalisme, dat het christelijke geloof en de Bijbel als uitgangspunt nam voor politieke denkbeelden. Confessionelen kwamen op voor hun geloofsgenoten en richtten christelijke arbeidersbewegingen op vanuit het ideaal van naastenliefde, waarbij zij de socialistische klassenstrijd verwierpen. Met de uitbreiding van het mannenkiesrecht aan het einde van de 19e eeuw richtten ook conservatieven en confessionelen politieke partijen op, wat hun invloed sterk deed toenemen.