Het werkwoord ‘boire’
In deze les behandelen we het Franse werkwoord boire (drinken) in verschillende werkwoordstijden. We zullen de vervoegingen in de présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple, en conditionnel bespreken. Voor elke tijd geven we tips en voorbeeldzinnen.
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘boire’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je bois | ik drink |
tu bois | jij drinkt |
il/elle/on boit | hij/zij/men drinkt |
nous buvons | wij drinken |
vous buvez | jullie drinken/u drinkt |
ils/elles boivent | zij drinken |
💡Tip: De je- en tu-vormen eindigen vaak op een -s. Nous en vous zijn uitzonderingen en eindigen op -ons en -ez.
Voorbeeldzinnen
•Je bois un chocolat chaud en hiver. (Ik drink een warme chocolademelk in de winter.)
•Ils boivent toujours de l'eau après le sport. (Zij drinken altijd water na het sporten.)
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)
Frans | Nederlands |
|---|---|
j'ai bu | ik heb gedronken |
tu as bu | jij hebt gedronken |
il/elle/on a bu | hij/zij/men heeft gedronken |
nous avons bu | wij hebben gedronken |
vous avez bu | jullie hebben/u heeft gedronken |
ils/elles ont bu | zij hebben gedronken |
💡Tip: Gebruik het hulpwerkwoord avoir en voeg bu toe als voltooid deelwoord.
Voorbeeldzinnen
•J'ai bu un jus d'orange ce matin. (Ik heb vanmorgen een sinaasappelsap gedronken.)
•Nous avons bu du champagne pour célébrer. (Wij hebben champagne gedronken om te vieren.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je buvais | ik dronk |
tu buvais | jij dronk |
il/elle/on buvait | hij/zij/men dronk |
nous buvions | wij dronken |
vous buviez | jullie dronken/u dronk |
ils/elles buvaient | zij dronken |
💡Tip: Gebruik de stam van de nous-vorm in de présent (nous buvons) en voeg de imparfait-uitgangen toe.

Voorbeeldzinnen
•Quand nous étions enfants, nous buvions du lait chaud avant de dormir. (Toen we kinderen waren, dronken we warme melk voor het slapen gaan.)
•Elle buvait du café tous les matins avant le travail. (Zij dronk elke ochtend koffie voor het werk.)
Futur proche (nabije toekomst)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je vais boire | ik ga drinken |
tu vas boire | jij gaat drinken |
il/elle/on va boire | hij/zij/men gaat drinken |
nous allons boire | wij gaan drinken |
vous allez boire | jullie gaan/u gaat drinken |
ils/elles vont boire | zij gaan drinken |
💡Tip: Gebruik het werkwoord aller in de présent en voeg het hele werkwoord boire toe.
Voorbeeldzinnen
•Ce week-end, je vais boire un cocktail à la fête. (Dit weekend ga ik een cocktail drinken op het feest.)
•Demain, nous allons boire du thé avec des amis. (Morgen gaan we thee drinken met vrienden.)
Futur simple (toekomende tijd)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je boirai | ik zal drinken |
tu boiras | jij zult drinken |
il/elle/on boira | hij/zij/men zal drinken |
nous boirons | wij zullen drinken |
vous boirez | jullie zullen/u zult drinken |
ils/elles boiront | zij zullen drinken |
💡Tip: Gebruik de stam van het hele werkwoord zonder de -e en voeg de uitgangen van avoir toe.
Voorbeeldzinnen
•Un jour, je boirai du vin en Italie. (Op een dag zal ik wijn drinken in Italië.)
•Ils boiront du café après le déjeuner. (Zij zullen koffie drinken na de lunch.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je boirais | ik zou drinken |
tu boirais | jij zou drinken |
il/elle/on boirait | hij/zij/men zou drinken |
nous boirions | wij zouden drinken |
vous boiriez | jullie zouden/u zou drinken |
ils/elles boiraient | zij zouden drinken |
💡Tip: Gebruik dezelfde stam als de futur simple en voeg de imparfait-uitgangen toe.
Voorbeeldzinnen
•Si j'avais le temps, je boirais un thé tranquille. (Als ik de tijd had, zou ik rustig een thee drinken.)
•Nous boirions du chocolat chaud s'il neigeait. (Wij zouden warme chocolademelk drinken als het sneeuwde.)













