Het werkwoord ‘savoir’
In deze les behandelen we het Franse werkwoord savoir, wat ‘weten’ of 'kunnen' betekent. We zullen de vervoegingen in verschillende tijden bekijken: de présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple, en de conditionnel. Voor elke tijd geven we tips en voorbeeldzinnen.
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘savoir’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je sais | ik weet |
tu sais | jij weet |
il/elle/on sait | hij/zij/men weet |
nous savons | wij weten |
vous savez | jullie/u weet |
ils/elles savent | zij weten |
💡Tip: Savoir is een onregelmatig werkwoord. Let op de basisvormen en de eindletters.
Voorbeeldzinnen:
•Ils savent toujours la réponse. (Zij weten altijd het antwoord.)
•Nous savons nu comment het werkt. (Wij weten nu hoe het werkt.)
Passé composé (voltooide tegenwoordige tijd)
Frans | Nederlands |
|---|---|
j'ai su | ik heb geweten |
tu as su | jij hebt geweten |
il/elle/on a su | hij/zij/men heeft geweten |
nous avons su | wij hebben geweten |
vous avez su | jullie/u heeft geweten |
ils/elles ont su | zij hebben geweten |
💡Tip: Gebruik het hulpwerkwoord avoir en voeg su toe.
Voorbeeldzinnen:
•Elle a su la vérité hier soir. (Zij heeft gisteravond de waarheid geweten.)
•Nous avons enfin su résoudre le problème. (Wij hebben eindelijk het probleem weten op te lossen.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je savais | ik wist |
tu savais | jij wist |
il/elle/on savait | hij/zij/men wist |
nous savions | wij wisten |
vous saviez | jullie/u wist |
ils/elles savaient | zij wisten |
💡Tip: Gebruik de stam van de nous-vorm in de présent en voeg de imparfait-uitgangen toe.
Voorbeeldzinnen:
•Tu savais vaak quoi dire. (Jij wist vaak wat te zeggen.)
•Il savait jouer de la guitare quand il était petit. (Hij kon gitaar spelen toen hij klein was.)
Futur proche (nabije toekomst)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je vais savoir | ik ga weten |
tu vas savoir | jij gaat weten |
il/elle/on va savoir | hij/zij/men gaat weten |
nous allons savoir | wij gaan weten |
vous allez savoir | jullie/u gaat weten |
ils/elles vont savoir | zij gaan weten |
💡Tip: Vervoeg aller en voeg het hele werkwoord savoir toe.
Voorbeeldzinnen:
•Je vais savoir les résultats demain matin. (Ik ga de resultaten morgenochtend weten.)
•Vous allez bientôt savoir tout. (Jullie gaan binnenkort alles weten.)
Futur simple (toekomende tijd)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je saurai | ik zal weten |
tu sauras | jij zult weten |
il/elle/on saura | hij/zij/men zal weten |
nous saurons | wij zullen weten |
vous saurez | jullie/u zal weten |
ils/elles sauront | zij zullen weten |
💡Tip: Gebruik de stam saur en voeg de uitgangen van avoir toe.
Voorbeeldzinnen:
•Elle saura la vérité la semaine prochaine. (Zij zal volgende week de waarheid weten.)
•Nous saurons comment y arriver un jour. (Wij zullen op een dag weten hoe we daar moeten komen.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
Frans | Nederlands |
|---|---|
je saurais | ik zou weten |
tu saurais | jij zou weten |
il/elle/on saurait | hij/zij/men zou weten |
nous saurions | wij zouden weten |
vous sauriez | jullie/u zou weten |
ils/elles sauraient | zij zouden weten |
💡Tip: Gebruik de stam saur en voeg de uitgangen van de imparfait toe.
Voorbeeldzinnen:
•Si j'avais le temps, je saurais comment t'aider maintenant. (Als ik de tijd had, zou ik nu weten hoe ik je kon helpen.)
•Ils sauraient quoi faire dans cette situation difficile. (Zij zouden weten wat te doen in deze moeilijke situatie.)













