Bij welke vorm van belasting wordt er geen rekening gehouden met inkomensverschillen: directe belasting of indirecte belasting? Leg uit.
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen welke inkomsten en uitgaven een overheid heeft.
•Je kunt beschrijven hoe een overheidsbegroting is opgebouwd en wordt gepresenteerd.
•Je kunt het verschil tussen een begrotingstekort en een begrotingsoverschot definiëren en de gevolgen ervan benoemen.
•Je kunt de effecten van een staatsschuld verklaren.
•Je kunt het onderscheid tussen publieke schulden en private schulden uitleggen.
•Je kunt de rol van de Europese Unie bij het begrotingsbeleid van lidstaten benoemen.
Verantwoordelijkheden van de overheid
Uit de grondwet blijkt dat de overheid verantwoordelijk is voor het handhaven van veiligheid en orde, het regelen van rechtspraak en wetgeving, het waarborgen van grondrechten, het voeren van bestuur, buitenlands beleid en defensie en het zorgen voor sociale voorzieningen.
De overheidsbegroting
Net als gezinnen en bedrijven heeft de overheid inkomsten en uitgaven. De collectieve sector (alle overheidsinstanties en sociale zekerheidsinstellingen) stelt jaarlijks een begroting op.
Deze begroting wordt gepresenteerd op Prinsjesdag (de derde dinsdag van september). De regering licht de plannen toe in de Miljoenennota, waarin de rijksbegroting staat: een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven van de overheid.
Inkomsten van de overheid
De inkomsten van de overheid bestaan uit drie hoofdcategorieën: sociale premies, belastingen en niet-belastingontvangsten.
Sociale premies
Sociale premies worden gebruikt om sociale verzekeringen en uitkeringen te financieren. Er zijn twee soorten:
•Werknemersverzekeringen: alleen voor mensen die in loondienst werken. Een voorbeeld is de Werkloosheidswet (WW).
•Volksverzekeringen: voor iedereen. Een voorbeeld is de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Belastingen
Belastingen zijn onder te verdelen in:
•Directe belastingen: deze betaal je rechtstreeks aan de Belastingdienst, zoals inkomstenbelasting (over arbeid of vermogen) en vennootschapsbelasting (over winst van bedrijven).
•Indirecte belastingen: deze betaal je via een tussenstap bij de aankoop van producten, zoals btw en accijnzen. De verkoper draagt deze af aan de Belastingdienst.
Niet-belastingontvangsten
Dit zijn inkomsten die geen belasting of premie zijn, zoals:
•Aardgasbaten (inkomsten uit gaswinning, inmiddels grotendeels weggevallen)
•Retributies: betalingen voor een concrete dienst van de overheid, zoals een paspoort of rijbewijs
•Heffingen: verplichte betalingen die de overheid oplegt, zoals bestuurlijke boetes, maar ook andere specifieke heffingen
•Staatsdeelnemingen: inkomsten uit bedrijven waarin de overheid een belang heeft
Uitgaven van de overheid
De overheid geeft geld uit aan onder andere:
•Zorg
•Sociale zekerheid
•Ministeries
•Rente op de staatsschuld
Begrotingssaldo
Het verschil tussen inkomsten en uitgaven heet het begrotingssaldo.
Een begrotingsoverschot ontstaat wanneer de inkomsten groter zijn dan de uitgaven. De overheid kan dan extra uitgeven of de staatsschuld aflossen, waardoor de rentelasten dalen.
Een begrotingstekort ontstaat wanneer de uitgaven groter zijn dan de inkomsten. De overheid moet dan bezuinigen, belastingen verhogen of geld lenen. Extra lenen verhoogt de staatsschuld en de rentelasten.
Voorbeeld (Miljoenennota 2025, gepresenteerd in 2024):
Inkomsten: €425 miljard
Uitgaven: €457 miljard
Begrotingstekort: €32 miljard.
Staatsschuld
De staatsschuld is het totaalbedrag dat de rijksoverheid heeft geleend. Een begrotingstekort wordt opgeteld bij de staatsschuld.
Voorbeeldberekening:
Staatsschuld begin jaar: €435 miljard
Extra lenen (tekort): €25 miljard
Aflossing oude schuld: €10 miljard
Staatsschuld eind jaar miljard.
Extra lenen en aflossen tegelijk kan gebeuren wanneer oude leningen met een hoge rente worden vervangen door nieuwe leningen met een lagere rente.
Publieke en private schulden
De publieke schuld (ook wel overheidsschuld) bestaat uit de staatsschuld plus de schulden van lagere overheden zoals provincies en gemeenten.
Private schulden zijn schulden van bedrijven en gezinnen.
In economisch mindere tijden nemen vaak eerst de private schulden toe of ontstaan daar problemen, waarna ook de staatsschuld kan stijgen doordat de overheid ingrijpt of minder belastinginkomsten ontvangt.
De bijzondere positie van de overheid
De overheid kan doorgaans makkelijker geld lenen dan gezinnen of bedrijven, bijvoorbeeld door de uitgifte van staatsobligaties. Toch is lenen niet onbeperkt mogelijk.
Wanneer de overheid geld leent, betekent dit uitgestelde belastingheffing: toekomstige generaties moeten rente en aflossing betalen. De overheid ruilt zo als het ware welvaart over de tijd.
Europese afspraken
De Europese Unie controleert via het Stabiliteits- en Groeipact het begrotingsbeleid van lidstaten.
Deze afspraken zijn gemaakt om de stabiliteit van de euro te waarborgen en om te voorkomen dat financiële problemen in het ene land negatieve gevolgen hebben voor andere landen. Landen binnen de EU zijn economisch sterk met elkaar verbonden. Hoge tekorten of schulden in één land kunnen gevolgen hebben voor rente, vertrouwen en economische stabiliteit in andere lidstaten.
Er gelden twee belangrijke normen:
1.Het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan 3% van het bruto binnenlands product (bbp).
2.De staatsschuldquote (staatsschuld als percentage van het bbp) mag niet hoger zijn dan 60%.
Overheden voeren begrotingsbeleid om hun inkomsten en uitgaven zo te sturen dat zij binnen deze Europese afspraken blijven.












