Wie is de grondlegger van de evolutietheorie?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat de evolutietheorie inhoudt.
•Je kunt vier argumenten benoemen die de evolutietheorie ondersteunen.
De evolutietheorie
Charles Darwin is de grondlegger van de evolutietheorie. Hij probeerde te verklaren hoe planten, dieren en mensen allemaal zijn ontstaan op aarde. Zijn theorie stelt dat alle levensvormen op aarde waarschijnlijk afstammen van één gemeenschappelijke voorouder.

Natuurlijke selectie
Een cruciaal onderdeel van Darwins evolutietheorie is natuurlijke selectie. Dit houdt in dat sommige organismen beter zijn aangepast aan hun omgeving dan anderen en daardoor een grotere overlevingskans hebben.
Verandering van de omgeving
Een belangrijk element om te begrijpen, is dat omgevingen continu kunnen veranderen. Organismen die goed aangepast zijn aan een bepaalde omgeving, kunnen in het nadeel zijn als die omgeving verandert.
Het verhaal van de pepermot
Een klassiek voorbeeld van natuurlijke selectie en omgevingsverandering is de pepermot in Engeland tijdens de Industriële Revolutie.
Tijdens de Industriële Revolutie veranderde de omgeving drastisch. De lucht werd vervuild met roet van de fabrieken, wat leidde tot de verdonkering van de witte berkenbomen. Dit zorgde ervoor dat de witte pepermotten, die voorheen goed gecamoufleerd waren, ineens heel zichtbaar werden voor roofdieren. Daarentegen werden de zwarte pepermotten ineens goed gecamoufleerd en hadden een grotere overlevingskans.

Argumenten voor de evolutietheorie
Er zijn vier belangrijke argumenten die de evolutietheorie ondersteunen:
1. Fossielen
Fossielen zijn belangrijk omdat ze bewijzen dat bepaalde soorten ooit op aarde hebben bestaan die er nu niet meer zijn. Ze geven ook een indicatie van hoe oud de aarde is.

2. Overeenkomsten in bouw
Overeenkomsten in bouw tussen verschillende organismen wijzen op een gemeenschappelijke voorouder.

3. Overeenkomst in cellen
Overeenkomst in cellen is een ander bewijs dat alle organismen een gemeenschappelijke voorouder kunnen hebben. Ondanks de ongelooflijke verscheidenheid van het leven op aarde, hebben alle levende wezens cellen met vergelijkbare basisstructuren.

4. Rudimentaire organen
Rudimentaire organen zijn organen die geen functie meer hebben of zich niet meer verder ontwikkelen. Voorbeelden van rudimentaire organen zijn: de bekken bij een walvis, pootresten bij reuzenslangen, maar ook de staartwervels bij mensen. Dit soort organen zijn een indicatie dat organismen bepaalde organen wel hebben gehad, maar dat deze eruit zijn geëvalueerd.














