Wat betekent het als een gebied een cf-klimaat heeft?
Leerdoelen
•Je kunt de verschillende klimaten in Brazilië benoemen.
•Je kunt de kenmerken van de verschillende klimaten in Brazilië beschrijven.
•Je kunt de oorzaken van klimaatverschillen in Brazilië verklaren.
Klimaten in Brazilië
In Brazilië vind je A-klimaten, B-klimaten en C-klimaten.
•A-klimaten: dit zijn tropische klimaten rond de evenaar. Ze kenmerken zich door hoge temperaturen en veel neerslag.
•AF-klimaat: een tropisch, vochtig klimaat met neerslag in alle jaargetijden. Dit komt veel voor rond de Amazone.
•AW-klimaat: een tropisch klimaat met een droge winter.
•AM-klimaat: het moessonklimaat kenmerkt zich door een duidelijke regenperiode, veroorzaakt door seizoensgebonden winden.
•C-klimaten: dit zijn gematigde of subtropische klimaten rond de 23,5 graden zuiderbreedte.
•CF-klimaat en CW-klimaat: dit zijn varianten van de gematigde of subtropische C-klimaten, waarbij de 'F' staat voor neerslag in alle jaargetijden en de 'W' voor een droge winter.
•B-klimaten: dit zijn droge klimaten, die je voornamelijk in hogere gebieden vindt.
•BS-klimaat: dit is een steppeklimaat, een droog klimaat dat het meeste voorkomt binnen de B-klimaten in Brazilië.
•BW-klimaat: het woestijnklimaat komt slechts op zeer kleine plekken voor.

Oorzaken van klimaatverschillen
De verschillen in klimaten in Brazilië worden veroorzaakt door diverse natuurlijke omstandigheden.
Breedte- en hoogteligging
De breedteligging speelt een rol in het verschil tussen A- en C-klimaten; hoe dichter bij de evenaar, hoe warmer. De hoogteligging is van invloed op de B-klimaten. Hoe hoger een gebied ligt, hoe kouder het kan zijn.
Windsysteem en neerslag
Passaten en moesson
•Passaten: dit zijn permanente winden die het hele jaar door waaien. De passaatwinden die over de Atlantische Oceaan komen, nemen veel vocht mee richting Brazilië, omdat ze over warme zeestromen waaien. Warme lucht houdt veel vocht vast.
•Moesson: in de zomer op het zuidelijk halfrond (januari/februari) treedt er een moesson op. Een lagedrukgebied ontstaat boven land door opwarming, wat vochtige lucht van zee aantrekt en zorgt voor een regenperiode. Hier speelt de verschuiving van de ITCZ een rol.
De ITCZ en seizoensverschillen
De neerslag in Brazilië heeft veel te maken met de verschuivingen van het windsysteem, met name het lagedrukgebied, de Intertropische Convergentie Zone (ITCZ).
•In de zomer (januari/februari) op het zuidelijk halfrond wordt de landmassa van Brazilië sterk verwarmd. Hierdoor verschuift de ITCZ naar het zuiden, tot diep in centraal Brazilië. Dit lagedrukgebied zuigt vochtige lucht aan. De passaat van het noordelijk halfrond kruist dan de evenaar, neemt vocht op boven de Atlantische Oceaan en zorgt voor een moesson met over het algemeen veel neerslag in grote delen van Brazilië. In de zomer valt er relatief meer regen ten zuiden van het Amazonegebied dan in de winter.
•In de winter ligt de ITCZ op de hoogte van de Amazonerivier of iets ten noorden daarvan. Hierdoor valt er veel neerslag in het noorden, maar het leidt tot een drogere periode in centraal Brazilië.


Reliëf, gebergten en zeestromen
De fysieke kenmerken van het landschap die het klimaat beïnvloeden:
•Het Andesgebergte is zeer hoog en blokkeert vocht en temperaturen die van de Stille Oceaan afkomen.
•De Amazone rivier ligt direct rond de evenaar. Hier heb je stijgingsregen en dus veel neerslag.
•De Hooglanden van Brazilië en Guyana spelen een rol bij de temperatuur (hoe hoger, hoe kouder). Bovendien kan de zuidoostpassaat tegen het Hoogland van Brazilië aanwaaien. Dit zorgt voor stuwingsregen aan de windzijde, de zogenaamde loefzijde, van het hoogland.
•Achter het hoogland, aan de lijzijde, ontstaat juist een regenschaduw, wat leidt tot drogere gebieden. Hierdoor is er aan de kust in het noordoosten, in de regenschaduw van het hoogland, een BS-klimaat (steppeklimaat), ondanks de ligging aan zee.

Klimaatgrafieken analyseren en verklaren
Om klimaatverschillen te verklaren en te begrijpen, is het essentieel om klimaatgrafieken te kunnen lezen en te combineren met geografische kaarten.

Soorten kaarten
Bij het beantwoorden van vragen over klimaatgrafieken en -gebieden is het handig om meer dan 2 kaarten te gebruiken:
•Een kaart met klimaatgebieden: deze toont de Köppen-klimaatclassificatie en de zeestromen van de klimaatgebieden.
•Een natuurkundige kaart: deze toont het reliëf (hoogteverschillen) en de ligging aan de zee of oceaan.
•Een kaart met lagedrukgebieden: deze toont de richting van de wind, de lagedruk- en hogedrukgebieden, en of het om een passaat of moesson gaat. Hiermee kun je bepalen of de wind aanlandig of aflandig is, en of het zomer of winter is.
•Een neerslagkaart: deze zijn vaak specifiek voor de zomer- en wintersituatie en geven inzicht in de verdeling van neerslag gedurende het jaar.
Door deze kaarten te combineren, kun je de temperatuurfactoren in de deze volgorde toepassen om een klimaat te verklaren:
Temperatuurfactor |
|---|
Breedteligging |
Hoogteligging |
Temperatuur boven land en boven zee |
Aanlandige en aflandige wind |
Zee-/oceaanstromen |
Ligging van gebergte |













