Veelgestelde vragen over Hoofdstuk 3 Weer en klimaat
Wat is noorderbreedte en zuiderbreedte?
Wat zijn de gevolgen van de schuine stand van de aardas voor seizoenen en temperatuur?
Zijn koude klimaten op lage of hoge breedtegraden?
Wat is stuwingsregen?
Hoe werkt een lagedrukgebied?
Waarom buigt de wind af op aarde?
Wat is stijgingsregen?
Hoe ontstaan stuwings-, stijgings- en frontale regen?
Waarom heeft Nederland een gematigd zeeklimaat?
Welke maatregelen kunnen we nemen om klimaatverandering te beperken en wat is de rol van waterstof hierin?
Welke traditionele en duurzame energiebronnen zijn er en wat zijn de voor- en nadelen?
Hoe leidt de schuine stand van de aardas tot verschillen in instraling?
Hoe ontstaan temperatuurverschillen op aarde?
Hoe werkt de windrichting op het noordelijk en zuidelijk halfrond?
Wat zijn belangrijke begrippen over klimaten wereldwijd?
Wat is de invloed van breedteligging en jaaramplitude op het klimaat?
Wat is de draagkracht van de aarde?
Hoe ontstaat frontale neerslag?
Hoe ligt de evenaar op aarde?
Wat zijn hoge- en lagedrukgebieden en stijgende en dalende lucht?
Wat is het verschil tussen het broeikaseffect en het versterkt broeikaseffect?
Waarom verwarmen zonnestralen met een kleine invalshoek het oppervlak minder?
Welke klimaten horen bij lage breedte, hoge breedte of allebei?
Wat zijn breedte- en lengtelijnen?
Wat is het verschil tussen stijgende en dalende lucht?
Wat is het verschil tussen een C- en een D-klimaat?
Waarom regent het in een lagedrukgebied?