Welke begrippen horen bij de rechtspraak?
Welke begrippen horen bij de rechtspraak?
Welke begrippen horen bij de rechtspraak en hoe beïnvloeden criminologische theorieën zoals de bindingstheorie, rationele keuzetheorie en anomietheorie de strafoplegging?
Antwoord van Ainstein
De rechtspraak kent diverse begrippen die essentieel zijn voor het begrijpen van een rechtszaak en de achterliggende theorieën over criminaliteit.
Hier zijn de begrippen die horen bij de rechtspraak, zoals die in een verhaal over een rechtszaak kunnen voorkomen:
- A = verdachte (of beklaagde): De persoon die ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd.
- B = officier van justitie (of aanklager): De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie die de verdachte aanklaagt en probeert te bewijzen dat deze schuldig is.
- C = tenlastelegging (of aanklacht): Het officiële document waarin staat waarvan de verdachte precies wordt beschuldigd.
- D = advocaat: De juridische professional die de verdachte verdedigt en diens belangen behartigt.
- E = jurisprudentie (of eerdere uitspraken/precedenten): Eerdere rechterlijke uitspraken in vergelijkbare zaken, die als leidraad kunnen dienen voor de huidige zaak.
- F = Gerechtshof (of Hof van Beroep): Een hogere rechtbank waar een zaak opnieuw behandeld kan worden als een van de partijen het niet eens is met de uitspraak van de lagere rechtbank.
Daarnaast zijn er criminologische theorieën die invloed kunnen hebben op hoe een rechter naar een zaak kijkt en welke straf wordt opgelegd:
a. Als een rechter sterk beïnvloed is door de bindingstheorie, zal hij/zij mogelijk een andere straf geven dan als hij/zij is beïnvloed door de rationele keuzetheorie. Leg dit uit aan de hand van een voorbeeld.
Absoluut! Dit is een uitstekende vraag die de diepgang van criminologische theorieën belicht.
-
Als een rechter sterk beïnvloed is door de bindingstheorie, zal hij of zij ervan uitgaan dat crimineel gedrag ontstaat wanneer de sociale bindingen van een persoon zwak of afwezig zijn. Deze theorie stelt dat sterke relaties met familie, vrienden, werk of hobby's mensen op het rechte pad houden, omdat ze het risico niet willen lopen deze bindingen te verliezen.
- Voorbeeld: Stel, een jongere pleegt een winkeldiefstal. Een rechter die de bindingstheorie aanhangt, zou kunnen onderzoeken of de jongere een stabiele thuissituatie heeft, goede vrienden, of zinvolle vrijetijdsbesteding. Als blijkt dat deze bindingen zwak zijn, zou de rechter een straf kunnen opleggen die gericht is op het versterken van deze bindingen, bijvoorbeeld een taakstraf in combinatie met begeleiding om een opleiding te volgen of deel te nemen aan een sportclub. Het doel is dan niet primair vergelding, maar het herstellen van de sociale integratie om toekomstig crimineel gedrag te voorkomen.
-
Daarentegen, als een rechter beïnvloed is door de rationele keuzetheorie, zal hij of zij crimineel gedrag zien als het resultaat van een bewuste kosten-batenanalyse. Volgens deze theorie weegt de dader de potentiële voordelen van een misdrijf af tegen de mogelijke nadelen, zoals de pakkans en de straf.
- Voorbeeld: Bij dezelfde winkeldiefstal zou een rechter die de rationele keuzetheorie volgt, de straf zo willen inrichten dat de 'kosten' van de diefstal aanzienlijk hoger worden dan de 'baten'. Dit betekent vaak een zwaardere straf, zoals een hogere boete of een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, om de dader en potentiële andere daders af te schrikken. Het idee is dat als de straf zwaar genoeg is, de rationele afweging van de dader in de toekomst anders zal uitvallen, waardoor hij of zij afziet van crimineel gedrag.
Het verschil zit dus in de focus: de bindingstheorie kijkt naar de sociale context en preventie door integratie, terwijl de rationele keuzetheorie zich richt op afschrikking door het verhogen van de strafrisico's.
b. Noem een situatie waar de anomietheorie goed toepasbaar is.
De anomietheorie is uitstekend toepasbaar in situaties waarin er een kloof bestaat tussen de maatschappelijk gewenste doelen en de legale middelen die mensen hebben om die doelen te bereiken.
- Situatie: Denk aan een jongere die opgroeit in een achterstandswijk met beperkte toegang tot goed onderwijs en weinig kansen op de arbeidsmarkt. Deze jongere ziet om zich heen wel de maatschappelijke successen die anderen behalen (bijvoorbeeld dure kleding, snelle auto's, een luxe levensstijl), en voelt de druk om ook succesvol te zijn. Echter, door het gebrek aan legale middelen (geen diploma, geen geschikte baan) om deze doelen te bereiken, kan de jongere gefrustreerd raken en overgaan tot illegale activiteiten, zoals drugshandel, diefstal of fraude, om toch aan geld te komen en de gewenste status te verwerven. De anomietheorie verklaart hier dat de spanning tussen de doelen en de ontoereikende middelen leidt tot afwijkend gedrag.
- Extra uitleg en oefenen voor elk boek op school
- Stel vragen en krijg direct antwoord
- Video's, samenvattingen, oefenen, AI-tutor, woordjes leren en examentraining

Gerelateerde vragen
Vind antwoorden op vragen die gerelateerd zijn aan dit onderwerp.