Wat zijn belangrijke politieke begrippen en hun definities?
Wat zijn belangrijke politieke begrippen en hun definities?
Wat zijn belangrijke politieke begrippen en hun definities?
Antwoord van Ainstein
Hieronder vind je een uitgebreide lijst met belangrijke politieke begrippen en hun definities, die je helpen om de politiek beter te begrijpen:
- Soeverein: De hoogste macht in een staat; uiteindelijke beslissingsbevoegdheid. Dit betekent dat een staat binnen duidelijk afgebakende grenzen het hoogste gezag en het geweldsmonopolie uitoefent, zonder dat een buitenlandse macht of groepering daar zomaar iets over te zeggen heeft.
- Politiek: Het nemen van besluiten over een land, regio of gemeente. De essentie van politiek is het maken van keuzes die bindend zijn voor alle inwoners binnen een staat en die in het algemeen belang zijn.
- Algemeen belang: Belangen die voor de hele samenleving belangrijk zijn.
- Directe democratie: Burgers beslissen zelf rechtstreeks over wetten en regels.
- Representatieve democratie: Burgers kiezen vertegenwoordigers die namens hen beslissen.
- Parlementair stelsel: Regering is afhankelijk van het vertrouwen van het parlement.
- Constitutionele monarchie: Staatsvorm met een koning en een grondwet die zijn macht beperkt.
- Parlementaire democratie: Democratie waarin het parlement centraal staat als volksvertegenwoordiging.
- Dictatuur: Staatsvorm waarin één persoon of partij alle macht heeft.
- Autoritair regime: Regeringsvorm waarin weinig politieke vrijheden bestaan en macht sterk geconcentreerd is.
- Censuur: De overheid controleert en beperkt informatie in media.
- Ideologie: Een samenhangend geheel van ideeën over de inrichting van de samenleving.
- Links: Politieke visie die nadruk legt op gelijkheid en een actieve overheid.
- Rechts: Politieke visie die nadruk legt op vrijheid, eigen verantwoordelijkheid en een kleine overheid.
- Politieke midden: Stromingen die tussen links en rechts in liggen en gematigde standpunten innemen.
- Liberalisme: Stroming met nadruk op individuele vrijheid en economische vrijheid.
- Socialisme: Stroming die streeft naar gelijkheid en een actieve rol van de overheid.
- Communisme: Vorm van socialisme waarin productiemiddelen gemeenschappelijk bezit zijn.
- Sociaal-democratie: Stroming die gelijkheid wil bereiken via democratische weg en hervormingen.
- Confessionalisme: Politieke stroming gebaseerd op religieuze waarden.
- Christendemocratie: Politieke stroming die christelijke normen en waarden centraal stelt.
- Ontideologisering: Proces waarbij politieke partijen minder streng vasthouden aan ideologische beginselen.
- Progressief: Gericht op maatschappelijke vernieuwing en verandering.
- Conservatief: Gericht op behoud van bestaande waarden en tradities.
- Politieke partijen: Organisaties die op basis van ideeën deelnemen aan verkiezingen om invloed te krijgen.
- Zwevende kiezers: Kiezers die niet trouw zijn aan één partij en hun keuze per verkiezing laten variëren.
- Actief kiesrecht: Het recht om te mogen stemmen.
- Passief kiesrecht: Het recht om je verkiesbaar te stellen.
- Evenredige vertegenwoordiging: Verdeling van zetels op basis van het percentage behaalde stemmen.
- Kiesdeler: Aantal stemmen dat nodig is voor één zetel.
- Kiesdrempel: Minimumpercentage stemmen dat een partij moet halen om zetels te krijgen.
- Districten- of meerderheidsstelsel: Systeem waarin het land verdeeld is in kiesdistricten; winnaar krijgt de zetel.
- Mediacratie: Een samenleving waarin media grote invloed hebben op politiek.
- Informatie: Voorlichting van politici en overheid aan burgers.
- Formatie: Proces waarin partijen onderhandelen om een regering te vormen.
- Coalitie: Samenwerking van twee of meer partijen die samen regeren.
- Oppositie: Partijen die niet in de regering zitten.
- Regeerakkoord: Document waarin coalitiepartijen hun plannen vastleggen.
- Demissionair kabinet: Kabinet dat ontslag heeft ingediend en lopende zaken afhandelt.
- Kabinet: Ministers en staatssecretarissen die samen de regering vormen.
- Regering: De koning en de ministers samen.
- Minister: Lid van de regering dat verantwoordelijk is voor een beleidsterrein.
- Staatssecretaris: Politiek assistent van een minister met deelverantwoordelijkheid.
- Premier: Minister-president; voorzitter van de ministerraad.
- Ministeriële verantwoordelijkheid: Ministers zijn verantwoordelijk voor wat hun ambtenaren en de koning zeggen en doen.
- Stemrecht: Recht van Kamerleden om voorstellen goed of af te keuren.
- Recht van amendement: Recht van Kamerleden om wetsvoorstellen te wijzigen.
- Recht van initiatief: Recht van Kamerleden om zelf een wetsvoorstel in te dienen.
- Budgetrecht: Recht van het parlement om de begroting goed te keuren.
- Recht van motie: Recht om een mening of verzoek uit te spreken richting de regering.
- Vragenrecht: Recht van Kamerleden om mondeling of schriftelijk vragen te stellen.
- Recht van interpellatie: Recht om ministers ter verantwoording te roepen in een debat.
- Recht van onderzoek en enquête: Recht om diepgaand onderzoek te doen naar overheidsbeleid.
- Poldermodel: Overlegcultuur waarbij overheid, werkgevers en werknemers samenwerken.
- Dualisme: Scheiding tussen uitvoerende macht (regering) en wetgevende macht (parlement).
- Soevereiniteit: Het recht van een land om zelf beslissingen te nemen zonder buitenlandse inmenging.
- Europese integratie: Proces waarbij Europese landen steeds meer samenwerken en naar eenheid groeien.
- Eurozone: Groep landen die betalen met de euro.
- Supranationaal: Beslissingen worden genomen door instellingen boven de nationale staten.
- Intergouvernementeel: Besluitvorming tussen regeringen, waarbij landen hun zelfstandigheid behouden.
- Vetorecht: Het recht om een besluit tegen te houden.
- Democratisch tekort: Kritiek dat burgers te weinig directe invloed hebben op beslissingen in de EU.
Wil je betere cijfers halen?
- Extra uitleg en oefenen voor elk boek op school
- Stel vragen en krijg direct antwoord
- Video's, samenvattingen, oefenen, AI-tutor, woordjes leren en examentraining

Gerelateerde vragen
Vind antwoorden op vragen die gerelateerd zijn aan dit onderwerp.