Economisch pragmatisme is een benadering in het economisch beleid die zich richt op het vinden van directe en praktische oplossingen voor concrete economische problemen. Het gaat erom een haalbare en werkbare aanpak te bedenken en deze vervolgens uit te voeren, zonder per se het hele economische systeem ter discussie te stellen. Het is een praktische benadering die zich richt op wat werkt, in plaats van op dieperliggende ideologische overwegingen.
Een algemeen voorbeeld hiervan zou kunnen zijn: als er een tekort is aan geschoolde arbeidskrachten in een bepaalde sector, zou een pragmatische aanpak kunnen zijn om gerichte omscholingsprogramma's op te zetten of subsidies te geven aan bedrijven die investeren in training.
Een historisch voorbeeld van economisch pragmatisme is te vinden in China na de desastreuze gevolgen van de Grote Sprong Voorwaarts. Tussen 1962 en 1965 werd een pragmatisch economisch beleid ingezet door de adviseurs van Mao Zedong om de Chinese economie weer op te bouwen. Dit beleid was gericht op herstel en praktische oplossingen, hoewel Mao zelf hier niet blij mee was omdat het aantoonde dat zijn eigen project geen succes was. De specifieke maatregelen uit deze periode worden in deze context niet verder uitgediept, maar het hoofddoel was het herstel van de economie.
Na de dood van Mao Zedong in 1976 nam Deng Xiaoping het stokje over en voerde vanaf 1978 de zogenaamde Vier Moderniseringen door, wat ook een vorm van economisch pragmatisme was. Deze moderniseringen richtten zich op vier belangrijke terreinen:
- Landbouw: De communes, die onder Mao bestonden, werden afgeschaft.
- Wetenschap en technologie
- Industrie: Er kwam meer ruimte voor kapitalisme in deze sector. Ook werden er speciale economische zones in kustgebieden opgericht, waar buitenlandse bedrijven zich konden vestigen en vrijer gehandeld mocht worden met het Westen.
- Defensie
Deng Xiaoping was ervan overtuigd dat rijkdom moest worden nagestreefd en zag socialisme als 'gedeelde armoede'. Hij liet bewust elementen van het kapitalisme toe om economische groei te stimuleren, maar op politiek vlak bleef China een communistisch land zonder liberalisering.