Hoofdstuk 1 van economie behandelt vaak hoe periodes van welvaart en crisis elkaar afwisselen.
De belangrijkste punten die hierbij aan bod komen zijn:
- De 'Roaring Twenties': Dit was een periode van grote economische welvaart wereldwijd. Banken leenden gemakkelijk geld uit, wat leidde tot de oprichting van grote bedrijven zoals Philips en AkzoNobel. Deze groei was echter vaak gebaseerd op geleend geld.
- De Beurskrach van 1929: In oktober 1929 stortte de beurs in Amerika in. De waarde van aandelen daalde enorm, omdat iedereen ze tegelijk wilde verkopen. Het aanbod was veel groter dan de vraag, waardoor de prijzen kelderden en aandelen waardeloos werden.
- Wereldwijde crisis: De crisis begon in Amerika en verspreidde zich snel naar Europa door de sterke economische banden. In Nederland raakte een kwart van de bevolking werkloos.
- Na de Tweede Wereldoorlog: Nederland kende een periode van 'wederopbouw', mede dankzij de Amerikaanse Marshallhulp. Ook het 'poldermodel', waarbij werkgevers, vakbonden en de overheid samenwerkten, zorgde voor economische stabiliteit.
- De Oliecrisis van 1973: Arabische landen verlaagden de olieproductie, terwijl er veel vraag was. Dit leidde tot olieschaarste en enorm stijgende olieprijzen. Dit raakte de economie diep en versnelde de krimp van de industriesector in Nederland, terwijl de dienstensector de grootste werkgever werd.
- Verspreiding van welvaart en crisis: Welvaart en crisis verspreiden zich snel over de wereld door sterke economische samenwerking en internationale handel. Veranderingen in vraag of aanbod in één land hebben direct gevolgen voor andere landen.
Een belangrijk economisch principe dat hierbij hoort, is:
Als de vraag naar een product hoger is dan het aanbod, stijgt de prijs.