In de context van radioactiviteit staat de letter N voor het aantal (radioactieve) deeltjes of kernen. Het heeft geen specifieke eenheid zoals meter of seconde, omdat het een telbaar aantal is. Je kunt het specificeren als 'aantal kernen' of 'aantal atomen'.
Het verschil tussen N en activiteit (A) is belangrijk:
- N is het aantal deeltjes op een bepaald moment.
- De activiteit (A) is het aantal deeltjes dat per seconde vervalt. De eenheid van activiteit is Becquerel (Bq).
Je gebruikt logaritmen wanneer de variabele die je wilt berekenen in de exponent van een formule staat.
- Logaritmen bij de intensiteit (I): Bij de formule voor intensiteit,
I = I0 * (1/2)^(d/d1/2), staat de dikte d in de exponent. Om d te vinden, moet je logaritmen gebruiken. De eenheid van de dikte d (bijvoorbeeld centimeters of meters) hangt af van de eenheid die je gebruikt voor de halveringsdikte d1/2.
- Logaritmen bij het aantal deeltjes (N): Als je direct het aantal deeltjes wilt berekenen na een bepaalde tijd, gebruik je meestal geen logaritmen. Je gebruikt logaritmen pas als je de tijd wilt weten die nodig is om tot een bepaald aantal deeltjes te komen, omdat de tijd dan in de exponent van de vervalformule staat.
Hoe logaritmen werken
Een logaritme is het omgekeerde van een macht berekenen. Het beantwoordt de vraag: tot welke macht moet ik het grondtal verheffen om een bepaald getal te krijgen?
Stel je hebt de vergelijking:
8 = 2^x
Om x te vinden, kun je de logaritme met grondtal 2 van 8 berekenen:
x = log_2(8)
x = 3
Voorbeeld met de intensiteitsformule:
Als je de formule I = I0 * (1/2)^(d/d1/2) hebt en je wilt d berekenen, kun je de volgende stappen nemen:
- Deel beide zijden door
I0:
I / I0 = (1/2)^(d/d1/2)
- Neem de logaritme van beide zijden. Je kunt hiervoor de natuurlijke logaritme (ln) of de logaritme met grondtal 10 (log) gebruiken. Laten we ln gebruiken:
ln(I / I0) = ln((1/2)^(d/d1/2))
- Gebruik de logaritme-eigenschap
ln(a^b) = b * ln(a):
ln(I / I0) = (d / d1/2) * ln(1/2)
- Isoleer
d / d1/2:
d / d1/2 = ln(I / I0) / ln(1/2)
- Bereken
d:
d = d1/2 * (ln(I / I0) / ln(1/2))
De eenheid van d zal dan overeenkomen met de eenheid die je voor d1/2 hebt gebruikt. Als d1/2 in meters is, zal d ook in meters zijn. Als d1/2 in centimeters is, zal d ook in centimeters zijn.