Bij het oplossen van vergelijkingen en het vrijmaken van een variabele, zoals w of x, is het belangrijk om te kijken welke bewerking er tussen de variabele en de getallen staat. Je gebruikt altijd de omgekeerde bewerking om een getal naar de andere kant van het isgelijkteken te verplaatsen en zo de variabele te isoleren. Dit principe staat bekend als de balansmethode.
Wanneer gebruik je delen?
Je gebruikt delen wanneer een getal wordt vermenigvuldigd met de variabele. Delen is de omgekeerde bewerking van vermenigvuldigen.
- Voorbeeld: Stel je hebt de vergelijking 2⋅x=10.
Hier wordt 2 vermenigvuldigd met x. Om x vrij te maken, deel je beide kanten van de vergelijking door 2:
22⋅x=210
x=5
Wanneer gebruik je aftrekken?
Je gebruikt aftrekken wanneer een getal wordt opgeteld bij de variabele. Aftrekken is de omgekeerde bewerking van optellen.
- Voorbeeld: Stel je hebt de vergelijking x+3=8.
Hier wordt 3 opgeteld bij x. Om x vrij te maken, trek je 3 af van beide kanten van de vergelijking:
x+3−3=8−3
x=5
Het is dus essentieel om te herkennen welke bewerking (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen) de variabele verbindt met de andere getallen in de vergelijking. Vervolgens pas je de tegenovergestelde bewerking toe aan beide zijden van het isgelijkteken om de variabele te isoleren.