De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) werd in 1602 opgericht met als hoofddoel de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een sterke positie te geven in de lucratieve specerijenhandel in Azië. Er waren meerdere redenen voor de oprichting:
- Verminderen van onderlinge concurrentie: Voor de oprichting van de VOC stuurden verschillende Nederlandse handelscompagnieën afzonderlijk schepen naar Azië. Deze onderlinge concurrentie leidde ertoe dat de inkoopprijzen van specerijen en andere gewilde producten in Azië stegen, terwijl de verkoopprijzen in Europa daalden. Dit drukte de winstmarges aanzienlijk. Door de verschillende compagnieën samen te voegen tot één grote onderneming, de VOC, werd deze interne concurrentie geëlimineerd.
- Concurrentie met andere landen: Naast de interne concurrentie was er ook sterke concurrentie van handelaren uit andere landen, zoals Portugal en China. Door de krachten te bundelen in de VOC kon Nederland beter concurreren op de internationale markt en een efficiëntere en winstgevendere handelspositie veiligstellen.
- Monopolie en winstgevendheid: De VOC kreeg een monopolie op de handel in 'de Oost', wat betekende dat geen enkel ander Nederlands bedrijf daar handel mocht drijven. Dit zorgde voor een gecontroleerde markt en maximaliseerde de winstgevendheid voor de Republiek.
Samenvattend werd de VOC opgericht om de winstgevendheid van de handel in Azië te waarborgen door onderlinge en internationale concurrentie tegen te gaan en een monopoliepositie te creëren.