De Eerste Wereldoorlog stopte op 11 november 1918 met een wapenstilstand, voornamelijk door een combinatie van factoren die de Centralen, en dan vooral Duitsland, tot het uiterste hadden gedreven:
- Militaire uitputting en ineenstorting: Na jaren van intense gevechten waren de legers van de Centralen, met name Duitsland, uitgeput. Ze hadden enorme verliezen geleden en hun middelen waren op. De laatste grote Duitse offensieven in het voorjaar van 1918 (het Lenteoffensief) mislukten, wat leidde tot een snelle terugtrekking en demoralisatie.
- Toetreding van de Verenigde Staten: De deelname van de VS aan de oorlog vanaf 1917 bracht een stroom van verse troepen, materieel en financiële middelen naar de geallieerde zijde. Dit gaf de geallieerden een doorslaggevend voordeel.
- Interne onrust en revoluties: In Duitsland leidde de oorlog tot grote onvrede onder de bevolking. Er was een tekort aan voedsel en andere basisbehoeften. Dit resulteerde in stakingen, muiterijen (zoals de matrozenopstand in Kiel) en uiteindelijk de Novemberrevolutie, die leidde tot het aftreden van keizer Wilhelm II en de oprichting van een republiek.
- Economische blokkade: De geallieerde zeeblokkade had de aanvoer van grondstoffen en voedsel naar Duitsland ernstig belemmerd, wat de economie verzwakte en bijdroeg aan de interne onrust.
- Ineenstorting van bondgenoten: De bondgenoten van Duitsland, zoals Oostenrijk-Hongarije, het Ottomaanse Rijk en Bulgarije, waren al eerder in 1918 verslagen of hadden wapenstilstanden gesloten. Dit liet Duitsland geïsoleerd achter.
Al deze factoren samen maakten het voor Duitsland onmogelijk om de oorlog voort te zetten, wat leidde tot de ondertekening van de wapenstilstand in Compiègne.