Je vult een getal in voor een variabele in een formule om de formule te kunnen oplossen. Een formule kan namelijk niet worden opgelost als er meerdere onbekende variabelen in staan. Door één van de variabelen een concrete waarde te geven, blijft er nog maar één onbekende over, die vervolgens berekend kan worden.
Neem bijvoorbeeld een formule zoals P=50−2Qv, waarbij P de prijs is en Qv de hoeveelheid. Als je wilt weten wat de prijs (P) is bij een bepaalde hoeveelheid, bijvoorbeeld Qv=10, dan vul je 10 in voor Qv:
P=50−2×10
P=50−20
P=30
In dit voorbeeld is de prijs 30 als de hoeveelheid 10 is.
Het getal dat je invult, zoals de 10 in het voorbeeld, is vaak een willekeurig gekozen voorbeeldwaarde. Dit dient om te laten zien hoe je de formule met de balansmethode of directe berekening oplost. Ja, het kan absoluut een ander getal zijn! Het idee is dat je één van de variabelen een concrete waarde geeft. Dit proces noemen we het 'vastzetten' van een variabele. Als je een andere waarde voor Qv invult, zul je zien dat de uitkomst voor P ook anders wordt. Het belangrijkste is dat je altijd maar één onbekende overhoudt om de formule te kunnen oplossen.