Optellen en vereenvoudigen van termen in de algebra zijn nauw met elkaar verbonden, maar verwijzen naar verschillende aspecten van het werken met uitdrukkingen.
Optellen (of aftrekken) van termen:
Dit is de actie die je uitvoert op de coëfficiënten (de getallen voor de variabelen) van gelijksoortige termen. Gelijksoortige termen zijn termen die precies dezelfde variabele(n) met dezelfde exponent(en) hebben. Wanneer je gelijksoortige termen optelt of aftrekt, verander je de variabele zelf niet, alleen het 'aantal' ervan.
Voorbeeld:
Als je de uitdrukking −0,15×TO+TO hebt, dan zijn −0,15×TO en TO (wat hetzelfde is als 1×TO) gelijksoortige termen. Je telt de coëfficiënten bij elkaar op: −0,15+1=0,85. De variabele TO blijft hetzelfde.
Dus, de handeling van −0,15×TO+TO is een optelling van twee termen.
Vereenvoudigen (of herleiden) van termen:
Dit is het doel of het resultaat van het korter en overzichtelijker maken van een algebraïsche uitdrukking. Je vereenvoudigt een uitdrukking door alle gelijksoortige termen samen te voegen. De optelling (of aftrekking) van de coëfficiënten van gelijksoortige termen is de methode die je gebruikt om te vereenvoudigen.
Voorbeeld:
De stap van −0,15×TO+TO naar 0,85×TO is een vereenvoudiging. Je hebt de twee gelijksoortige termen samengevoegd tot één term, waardoor de uitdrukking korter en eenvoudiger is geworden.
Kortom: Optellen is de handeling die je verricht met de getallen, terwijl vereenvoudigen het proces is om een uitdrukking zo beknopt mogelijk te maken door die handelingen op gelijksoortige termen toe te passen. Je gebruikt optellen (en aftrekken) als een middel om te vereenvoudigen.