Het teken van een term verandert wanneer je deze naar de andere kant van een vergelijking verplaatst, omdat je de vergelijking in balans moet houden. Een vergelijking is als een weegschaal: wat je aan de ene kant doet, moet je ook aan de andere kant doen om het evenwicht te bewaren.
Stel je hebt de vergelijking A+B=C. Als je B naar de andere kant wilt verplaatsen, dan trek je B af van beide kanten van de vergelijking:
A+B−B=C−B
A=C−B
Zoals je ziet, is B aan de rechterkant verschenen als −B. Dit komt omdat je aan beide kanten dezelfde bewerking (aftrekken van B) hebt uitgevoerd.
Hetzelfde geldt voor vermenigvuldigen en delen. Als je een term vermenigvuldigt aan de ene kant, en je wilt deze 'verplaatsen', dan deel je aan beide kanten.
Voorbeeld:
Stel, je hebt de vergelijking 3x−4y=48 en je wilt de term 3x naar de rechterkant verplaatsen.
- Om 3x aan de linkerkant weg te halen, trek je 3x af van de linkerkant: 3x−4y−3x.
- Om de vergelijking in balans te houden, moet je ook 3x aftrekken van de rechterkant: 48−3x.
De vergelijking wordt dan: −4y=48−3x, of netter geschreven: −4y=−3x+48.
Waarom doen we dit?
Vaak verplaatsen we termen om een vergelijking in een specifieke vorm te krijgen, zoals de standaardvorm voor een lineaire functie: y=ax+b.
- Duidelijkheid: In de vorm y=ax+b zie je direct de richtingscoëfficiënt (a) en het startgetal (b). De richtingscoëfficiënt vertelt je hoe steil de lijn is en of hij stijgt of daalt, en het startgetal is het snijpunt met de y-as.
- Grafische rekenmachine: Om de grafiek van een vergelijking te tekenen met een grafische rekenmachine, moet de formule meestal in de vorm y=... staan.
- Functie: Door y uit te drukken in x, maak je er een functie van, wat betekent dat bij elke x-waarde precies één y-waarde hoort.
Dit helpt je om de eigenschappen van de lijn te begrijpen en deze makkelijk te kunnen tekenen of analyseren.